Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

1756 words · page 8 of 71

  • bitterA2

    bitter

    Zwarte koffie smaakt bitter.

  • blauwA1

    blue

    De lucht is vandaag blauw.

  • de blessureA2

    injury (sports)

    Door een blessure kan hij niet sporten.

  • blijA1

    happy, glad

    Ik ben blij met het resultaat.

  • blijvenA1irregular

    bleef · bleven · zijn gebleven

    to stay

    Blijf je vanavond eten?

  • blikA2

    look, gaze

    Aan zijn blik zag ik dat hij loog.

  • het blikjeA2

    can, tin

    In de koelkast staat nog een blikje.

  • het bloedA2

    blood

    Ze hebben mijn bloed onderzocht.

  • de bloeddrukA2

    blood pressure

    De dokter meet eerst uw bloeddruk.

  • de bloemkoolA1

    cauliflower

    Vanavond eten we bloemkool.

  • het boekA1

    book

    Ik lees elke avond een boek.

  • de boerderijA2

    farm

    Mijn oom woont op een boerderij met koeien en kippen.

  • de bonA2

    receipt

    Bewaar de bon voor de garantie.


    fine, ticket (from the police)

    Hij kreeg een bon omdat hij te hard reed.

  • de boodschapA2

    message (content)

    De boodschap van de campagne is duidelijk.

  • de boodschappenA2

    groceries

    Ik doe zaterdag boodschappen.

  • het boodschappenlijstjeA2

    shopping list

    Ik maak altijd een boodschappenlijstje.

  • de boodschappentasA2

    shopping bag

    Neem je eigen boodschappentas mee.

  • de boomA2

    tree

    Voor het huis staat een grote boom.

  • de boonA1

    bean

    Er staan bonen op het menu.

  • boosA2

    angry

    Hij was boos op zijn collega.

  • het bordA1

    plate

    Zet de borden op tafel.


    sign, board

    Op het bord staat dat je hier niet mag parkeren.

  • de borgA2

    deposit

    De borg krijg je later terug.

  • de borstA1

    chest

    Hij voelt pijn op zijn borst.

  • het bosA2

    forest

    We wandelen graag in het bos.


    de bos

    bunch (of flowers)

    Hij kwam thuis met een bos bloemen voor zijn moeder.

  • de boterA1

    butter

    Doe wat boter op je brood.