Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

444 words · page 8 of 18

  • lenenA2

    leende · hebben geleend

    to borrow; to lend

    Kan ik tien euro van je lenen?

  • lerenA1

    leerde · hebben geleerd

    to learn; to teach

    Ik leer nu een jaar Nederlands.

  • lettenA2

    lette · hebben gelet

    to pay attention (to), to watch

    Wil je even op de kinderen letten?

  • levenA1

    leefde · hebben geleefd

    to live, to be alive

    Mijn opa leeft nog en is al negentig jaar.


    het leven

    life

    Het leven hier is heel anders.

  • leverenB1

    leverde · hebben geleverd

    to deliver, to supply

    De winkel levert de nieuwe bank op dinsdag.

  • lezenA1irregular

    las · lazen · hebben gelezen

    to read

    Lees de tekst nog een keer.

  • liegenA2irregular

    loog · logen · hebben gelogen

    to lie (tell lies)

    Hij zei dat hij ziek was, maar hij loog.

  • liggenA1irregular

    lag · lagen · hebben gelegen

    to lie, to be located

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1irregular

    leek · leken · hebben geleken

    to seem

    Het lijkt me een goed idee.

  • lopenA1irregular

    liep · liepen · hebben/zijn gelopen

    to walk

    Ik loop elke dag naar mijn werk.


    to run, to last (of a period)

    De cursus loopt van september tot juni.

  • luisterenA2

    luisterde · hebben geluisterd

    to listen

    Luister goed naar de vraag.

  • lukkenA2

    lukte · zijn gelukt

    to succeed, to work out

    Het is me gelukt!

  • mailenA2

    mailde · hebben gemaild

    to email

    Ik mail je de documenten vanavond.

  • makenA1

    maakte · hebben gemaakt

    to make

    Zij maakt een taart voor het feest.

  • meedelenB1separable

    deelde mee · hebben meegedeeld

    to notify, to announce

    Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.

  • meedoenA2separableirregular

    deed mee · deden mee · hebben meegedaan

    to join in

    Doe je mee met de cursus?

  • meegaanA2separableirregular

    ging mee · gingen mee · zijn meegegaan

    to go along, to come along

    Mag ik met jullie meegaan naar het strand?


    to last (of things)

    Deze schoenen gaan al vijf jaar mee.

  • meemakenA2separable

    maakte mee · hebben meegemaakt

    to experience, to go through

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2separableirregular

    nam mee · namen mee · hebben meegenomen

    to bring along

    Neem je paspoort mee.


    to take into account

    We nemen jouw voorstel mee in het besluit.

  • meldenA1

    meldde · hebben gemeld

    to report, to notify

    U moet een verhuizing melden bij de gemeente.

  • menenB1

    meende · hebben gemeend

    to mean (seriously); to think

    Meen je dat echt, of maak je een grapje?

  • merkenA2

    merkte · hebben gemerkt

    to notice

    Ik merk dat het beter gaat.


    de merken

    brands, makes (plural of merk)

    In deze winkel verkopen ze alleen bekende merken.

  • missenA1

    miste · hebben gemist

    to miss

    Ik heb de bus gemist.

  • moetenA1irregular

    moest · moesten · hebben gemoeten

    must, to have to

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1irregular

    mocht · mochten · hebben gemogen

    may, to be allowed to

    Mag ik hier zitten?