Vocabulary
283 words · page 6 of 12
merkenA2
merkte · hebben gemerkt
to notice
Ik merk dat het beter gaat.
de merken
brands, makes (plural of merk)
In deze winkel verkopen ze alleen bekende merken.
missenA1
miste · hebben gemist
to miss
Ik heb de bus gemist.
moetenA1irregular
moest · moesten · hebben gemoeten
must, to have to
Ik moet nu weg.
mogenA1irregular
mocht · mochten · hebben gemogen
may, to be allowed to
Mag ik hier zitten?
nadenkenA2separableirregular
dacht na · dachten na · hebben nagedacht
to think over
Ik moet er nog even over nadenken.
nakijkenA2separableirregular
keek na · keken na · hebben nagekeken
to mark, to correct (work)
De docent moet vanavond nog veertig toetsen nakijken.
nemenA1irregular
nam · namen · hebben genomen
to take
Ik neem de trein van acht uur.
noemenA2
noemde · hebben genoemd
to call, to name
Hoe noem je dit ding in het Nederlands?
ondertekenenA2
ondertekende · hebben ondertekend
to sign
Onderteken het contract onderaan.
onderzoekenA2irregular
onderzocht · onderzochten · hebben onderzocht
to investigate
Journalisten onderzoeken de zaak nog.
to examine (a patient)
De huisarts onderzoekt haar knie.
ontbijtenA2irregular
ontbeet · ontbeten · hebben ontbeten
to have breakfast
Wij ontbijten om zeven uur.
ontdekkenA2
ontdekte · hebben ontdekt
to discover
Ik ontdekte een fout in het formulier.
onthoudenA2irregular
onthield · onthielden · hebben onthouden
to remember, to memorise
Ik kan die naam nooit onthouden.
ontmoetenA2
ontmoette · hebben ontmoet
to meet
Ik heb haar op een cursus ontmoet.
ontslaanA2irregular
ontsloeg · ontsloegen · hebben ontslagen
to dismiss, to fire
Er worden dit jaar geen mensen ontslagen.
ontvangenA1irregular
ontving · ontvingen · hebben ontvangen
to receive
Ik heb je bericht ontvangen.
ontwikkelenA1
ontwikkelde · hebben ontwikkeld
to develop (something)
Het bedrijf ontwikkelt een nieuwe app.
zich ontwikkelenreflexive
to develop, to grow
Kinderen ontwikkelen zich in hun eigen tempo.
opbellenA2separable
belde op · hebben opgebeld
to call up
Ik bel je morgen op.
opbergenA2separableirregular
borg op · borgen op · hebben opgeborgen
to put away, to store
Berg je spullen op in de kast.
openenA1
opende · hebben geopend
to open
De winkel opent om negen uur.
ophalenA2separable
haalde op · hebben opgehaald
to pick up
Ik haal je om zeven uur op.
oplettenA2separable
lette op · hebben opgelet
to pay attention
Let goed op bij het oversteken.
opruimenA2separable
ruimde op · hebben opgeruimd
to tidy up
Ruim je spullen even op.
opschrijvenA2separableirregular
schreef op · schreven op · hebben opgeschreven
to write down
Kun je je telefoonnummer even voor mij opschrijven?
opsturenA2separable
stuurde op · hebben opgestuurd
to send (by post)
Ik moet dit formulier vandaag nog naar de gemeente opsturen.

