Vocabulary
3699 words · page 58 of 148
de kantA2
side
Aan welke kant van de straat woont u?
het kantoorA2
office
Ons kantoor is vlak bij het station.
de kantoorurenA2
office hours
Bel tijdens kantooruren.
kapotA2
broken
Mijn telefoon is kapot, het scherm doet niets meer.
het karakterB1
character
Zij heeft een sterk en vrolijk karakter.
de kassaA2
checkout
Bij de kassa is een lange rij.
de kassamedewerkerA2
checkout assistant
De kassamedewerker was heel vriendelijk.
de kastA1
cupboard, wardrobe
Je jas hangt in de kast.
het kasteelA2
castle
We bezochten een oud kasteel met een gracht.
de keelA1
throat
Ik heb pijn in mijn keel.
de keelpijnA2
sore throat
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.
de keerA1
time (occurrence)
Ik ga twee keer per week sporten.
keihardB1
rock-hard; very hard (informal)
Hij werkt keihard om zijn diploma te halen.
de kelderA1
cellar, basement
De fietsen staan in de kelder.
het kenmerkB1
characteristic, feature
Noem twee kenmerken van een goede buurt.
kenmerkenB1
kenmerkte · hebben gekenmerkt
to characterise
De stad wordt gekenmerkt door smalle straten.
kennenA1
kende · hebben gekend
to know (a person/thing)
Ken je die man?
de kennisA1
knowledge
Hij heeft veel kennis van computers.
acquaintance
Een kennis van mij werkt bij die school.
de kennistoetsB1
knowledge test
De kennistoets bestaat uit veertig vragen.
het kentekenB1
registration number, licence plate
Noteer het kenteken van de auto die wegreed.
de kerkA1
church
De kerk staat op het plein.
de kernB1
core, essence
De kern van het probleem is een gebrek aan geld.
de kerstA2
Christmas
Met kerst eten we samen met de hele familie.
de kettingA2
necklace; chain
Ze draagt een gouden ketting van haar oma.
de keukenA1
kitchen
De keuken is net schoongemaakt.

