Vocabulary
110 words · page 5 of 5
willenA1irregular
wilde · wilden · hebben gewild
to want
Ik wil graag koffie.
wonenA1
woonde · hebben gewoond
to live, to reside
Wij wonen in Utrecht.
wordenA1irregular
werd · werden · zijn geworden
to become
Hij wil dokter worden.
(passive auxiliary: is/are being)
De brief wordt morgen verstuurd.
zeggenA1irregular
zei · zeiden · hebben gezegd
to say
Wat zei je?
zettenA1
zette · hebben gezet
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zienA1irregular
zag · zagen · hebben gezien
to see
Ik zie je morgen.
zijnA1irregular
was · waren · zijn geweest
to be
Ik ben blij dat je er bent.
his
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.
zittenA1irregular
zat · zaten · hebben gezeten
to sit
Zij zit op de bank.
to be (in or inside something)
De sleutels zitten in de zak van mijn jas.
zoekenA1irregular
zocht · zochten · hebben gezocht
to look for
Ik zoek mijn sleutels.
zullenA1irregular
zou · zouden
shall, will
Zullen we koffie drinken?

