Vocabulary
1768 words · page 42 of 71
de periodeB1
period
In die periode werkte ik in een fabriek.
het perronA2
platform
De trein vertrekt van perron 5.
het personeelA2
staff
Het restaurant zoekt nieuw personeel.
het personeelsgesprekB1
staff interview
Het personeelsgesprek duurt een half uur.
het personeelslidB1
staff member
Elk personeelslid krijgt een eigen pas.
de persoonA2
person
Deze kamer is geschikt voor één persoon.
de petA2
cap
Mijn zoon draagt altijd een pet op zijn hoofd.
de pijnA1
pain
Heb je veel pijn?
de pijnstillerA2
painkiller
Neem een pijnstiller tegen de hoofdpijn.
de pilA2
pill
Neem één pil bij het eten.
de pinbetalingA2
card payment
Alleen pinbetaling is hier mogelijk.
de pindakaasA1
peanut butter
Pindakaas is populair in Nederland.
de pinpasA2
debit card
Mijn pinpas werkt niet meer.
de pizzaA1
pizza
Vanavond bestellen we pizza.
de plaatsA1
place, seat
Is deze plaats vrij?
het plafondA1
ceiling
Het plafond is net geverfd.
het planA1
plan
Wat is het plan voor morgen?
de plantA1
plant
Vergeet de planten niet water te geven.
het plasticA2
plastic
Plastic gooien we bij ons in een aparte zak.
het plattelandB1
countryside
Op het platteland is het veel rustiger.
het pleinA1
square
Op het plein is elke week markt.
de plekA2
place, spot
Is deze plek naast u nog vrij?
het plezierA2
fun, pleasure
De kinderen hebben veel plezier in het zwembad.
de ploegB1
team; shift (work)
Onze ploeg won vorige week de finale.
de ploegendienstA2
shift work
Hij werkt in ploegendienst.

