Vocabulary
430 words · page 4 of 18
de dorstA1
thirst
Heb je dorst?
de doucheA1
shower
Ik neem 's ochtends een douche.
de drempelA1
threshold, doorstep
Pas op voor de drempel bij de deur.
de druifA1
grape
Deze druiven zijn erg zoet.
de echtgenootA1
husband, spouse
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
het eiA1
egg
Ik eet 's ochtends een ei.
het eilandA1
island
Het eiland is per veerboot bereikbaar.
de elleboogA1
elbow
Ik heb mijn elleboog gestoten.
de emmerA1
bucket
Vul de emmer met water.
de energieA1
energy
De prijzen voor energie zijn gestegen.
het EngelsA1
English (language)
Mijn kinderen spreken thuis Nederlands en op school Engels.
de enkelA1
ankle
Ik heb mijn enkel verzwikt.
single, any; only
Er is geen enkele reden om je zorgen te maken.
de envelopA1
envelope
Doe de brief in een envelop.
de erwtA1
pea
In de soep zitten erwten en wortels.
etenA1irregular
at · aten · hebben gegeten
to eat
Wij eten meestal om zes uur.
het eten
food
Nederlands eten is soms heel simpel.
de euroA1
euro
De euro is in twintig landen betaalmiddel.
de familieA1
family
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
family visit
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
family member
Er komt een familielid op bezoek.
februariA1
February
In februari is het meestal koud.
het feestA1
party
Zaterdag is er een feest.
het feitA1
fact
Scheid feiten van meningen.
de filmA1
film, movie
We kijken vanavond een film.
de flesA1
bottle
Er staat een fles wijn op tafel.
de fotoA1
photo
Dit is een foto van mijn familie.

