Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

223 words · page 4 of 9

  • helpenA1irregular

    hielp · hielpen · hebben geholpen

    to help

    Kun je me even helpen?

  • hetenA1irregular

    heette · heetten · hebben geheten

    to be called

    Hoe heet jij?

  • hoevenA2irregular

    hoefde · hoefden · hebben gehoeven

    to have to (with niet/geen)

    Je hoeft morgen niet naar school te komen.

  • houdenA1irregular

    hield · hielden · hebben gehouden

    to hold; to like (van)

    Ik houd van koffie.

  • zich inschrijvenB1separablereflexiveirregular

    schreef in · schreven in · hebben ingeschreven

    to register, to enrol

    Je kunt je online inschrijven voor de cursus.

  • kiezenA1irregular

    koos · kozen · hebben gekozen

    to choose

    Je moet zelf kiezen.

  • kijkenA1irregular

    keek · keken · hebben gekeken

    to look, to watch

    We kijken vanavond naar een film.

  • klinkenB1irregular

    klonk · klonken · hebben geklonken

    to sound

    Dat plan klinkt goed, laten we het proberen.

  • komenA1irregular

    kwam · kwamen · zijn gekomen

    to come

    Kom je vanavond ook?

  • kopenA1irregular

    kocht · kochten · hebben gekocht

    to buy

    Ik koop brood bij de bakker.

  • krijgenA1irregular

    kreeg · kregen · hebben gekregen

    to get, to receive

    Ik heb een brief gekregen.

  • kunnenA1irregular

    kon · konden · hebben gekund

    can, to be able to

    Kun je mij helpen?

  • lachenA1irregular

    lachte · lachten · hebben gelachen

    to laugh

    We hebben veel gelachen.

  • langskomenA2separableirregular

    kwam langs · kwamen langs · zijn langsgekomen

    to drop by

    Kom je vanavond even langs?

  • latenA1irregular

    liet · lieten · hebben gelaten

    to let, to have (something done)

    Ik laat mijn fiets repareren.

  • lezenA1irregular

    las · lazen · hebben gelezen

    to read

    Lees de tekst nog een keer.

  • liefhebbenB2separableirregular

    had lief · hadden lief · hebben liefgehad

    to love (deeply)

    Zij had haar vak oprecht lief.

  • liegenA2irregular

    loog · logen · hebben gelogen

    to lie (tell lies)

    Hij zei dat hij ziek was, maar hij loog.

  • liggenA1irregular

    lag · lagen · hebben gelegen

    to lie, to be located

    Het boek ligt op tafel.

  • lijdenB2irregular

    leed · leden · hebben geleden

    to suffer

    Veel mensen lijden aan stress door hun werk.

  • lijkenA1irregular

    leek · leken · hebben geleken

    to seem

    Het lijkt me een goed idee.

  • lopenA1irregular

    liep · liepen · hebben/zijn gelopen

    to walk

    Ik loop elke dag naar mijn werk.


    to run, to last (of a period)

    De cursus loopt van september tot juni.

  • meedoenA2separableirregular

    deed mee · deden mee · hebben meegedaan

    to join in

    Doe je mee met de cursus?

  • meegaanA2separableirregular

    ging mee · gingen mee · zijn meegegaan

    to go along, to come along

    Mag ik met jullie meegaan naar het strand?


    to last (of things)

    Deze schoenen gaan al vijf jaar mee.

  • meenemenA2separableirregular

    nam mee · namen mee · hebben meegenomen

    to bring along

    Neem je paspoort mee.


    to take into account

    We nemen jouw voorstel mee in het besluit.