Vocabulary
4398 words · page 38 of 176
het doekA1
cloth
Veeg de tafel af met een doek.
het doelA1
goal, aim
Wat is het doel van deze cursus?
de doelgerichtheidB2
purposefulness
Haar doelgerichtheid valt op.
de doelgroepB2
target audience
Wie is de doelgroep van dit programma?
het doelpuntB1
goal (sport)
Hij maakte het winnende doelpunt in de laatste minuut.
de doelstellingB1
objective, target
We hebben onze doelstelling gehaald.
het doelwitB1
target
Ouderen zijn vaak het doelwit van oplichters.
de dokterA1
doctor
Ik ga morgen naar de dokter.
het doktersadviesB1
doctor's advice
Volg het doktersadvies goed op.
de doktersassistentA2
doctor's assistant
De doktersassistent maakt de afspraken.
het doktersbezoekB1
doctor's visit
Na het doktersbezoek voelde ik me gerustgesteld.
het domeinB1
domain, field
Dit valt buiten het domein van de huisarts.
de domineeB2
minister, pastor
De dominee sprak bij de uitvaart.
de donateurB2
donor
De stichting heeft vijfduizend donateurs.
de donatieB2
donation
De organisatie leeft van donaties.
de donderdagA1
Thursday
De les is elke donderdag.
doodA2
dead
De plant is dood, want ik vergat water te geven.
de dood
death
Na de dood van zijn vader verhuisde hij naar Utrecht.
de dooiB2
thaw
Na de dooi kwamen er gaten in de weg.
de doorbraakB2
breakthrough
Na lange gesprekken was er eindelijk een doorbraak.
de doorstroomB2
progression (to next stage)
De doorstroom naar het hoger onderwijs is gestegen.
de doorverwijzingB2
referral to a specialist
Zonder doorverwijzing kom je er niet binnen.
de doosA1
box
De boeken zitten in een doos.
het dorpA1
village
Zij komt uit een klein dorp.
het dorpshuisB2
village hall
Het dorpshuis is het hart van de gemeenschap.
de dorpskernB2
village centre
De winkels staan in de dorpskern.

