Vocabulary
7809 words · page 313 of 313
het zwembadB1
swimming pool
Het zwembad is op maandag gesloten.
zwemmenB1irregular
zwom · zwommen · hebben/zijn gezwommen
to swim
Ik ga twee keer per week zwemmen.
zwerenB2irregular
zwoer · zwoeren · hebben gezworen
to swear (an oath)
De nieuwe Nederlanders zweren of beloven trouw aan de wet.
het zwerfafvalB2
litter
Vrijwilligers ruimen het zwerfafval op.
zwervenB2irregular
zwierf · zwierven · hebben gezworven
to roam, to drift (homeless)
Na zijn ontslag zwierf hij maanden door de stad.
zwetenB2
zweette · hebben gezweet
to sweat
Van de spanning begon hij te zweten.
zwevenB2
zweefde · hebben gezweefd
to float, to hover
Een grote vogel zweeft hoog boven het veld.
zwijgenB2irregular
zweeg · zwegen · hebben gezwegen
to be silent
Toen de leraar binnenkwam, zweeg iedereen.
de zzp'erB2
self-employed person without staff
Steeds meer bouwvakkers werken als zzp'er.

