Vocabulary
1053 words · page 31 of 43
de schoolvakantieA2
school holiday
In de schoolvakantie zijn de lessen vrij.
de schoondochterA1
daughter-in-law
Onze schoondochter komt uit Spanje.
het schoonmaakmiddelA2
cleaning product
Dit schoonmaakmiddel werkt goed op tegels.
de schoonmoederA1
mother-in-law
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
de schoonvaderA1
father-in-law
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
de schoonzoonA1
son-in-law
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
de schoonzusA1
sister-in-law
Mijn schoonzus komt uit Italië.
de schoorsteenA1
chimney
Uit de schoorsteen komt rook.
de schouderA1
shoulder
Mijn schouder doet pijn.
het schriftA2
exercise book
Schrijf de nieuwe woorden in je schrift.
de schrijverA2
writer, author
Deze schrijver heeft al tien romans geschreven.
de schuldA2
debt
Hij heeft schulden bij de bank.
fault, blame
Het was mijn schuld dat we te laat waren.
de schuurA1
shed
De fietsen staan in de schuur.
de secondeA1
second (of time)
Wacht één seconde.
de sectorA2
sector
In deze sector is het tekort het grootst.
het seizoenA1
season
De herfst is mijn favoriete seizoen.
septemberA1
September
De school begint weer in september.
de serieA2
series
Ik kijk elke avond een aflevering van mijn favoriete serie.
het servetA2
napkin
Er liggen servetten op tafel.
de serviceA2
service
De service in deze winkel is altijd erg goed.
de servicekostenA2
service charges
De servicekosten komen boven op de huur.
het shirtA1
shirt
Hij draagt een wit shirt.
de showA2
show
De show begint om acht uur in het theater.
de sinaasappelA1
orange (fruit)
Ik pers elke ochtend een sinaasappel.
de situatieA2
situation
Leg de situatie even uit.

