Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

444 words · page 3 of 18

  • bestaanA1irregular

    bestond · bestonden · hebben bestaan

    to exist

    Zo'n regel bestaat hier niet.

  • bestedenB1

    besteedde · hebben besteed

    to spend (time, money)

    Hoeveel geld besteed jij per maand aan boodschappen?

  • bestellenA2

    bestelde · hebben besteld

    to order

    Zullen we pizza bestellen?

  • betalenA1

    betaalde · hebben betaald

    to pay

    Kan ik met pin betalen?

  • betekenenA1

    betekende · hebben betekend

    to mean

    Wat betekent dit woord?

  • bevattenB1

    bevatte · hebben bevat

    to contain

    Deze snoepjes bevatten erg veel suiker en kleurstof.

  • bevestigenB1

    bevestigde · hebben bevestigd

    to confirm

    Kunt u de afspraak per mail bevestigen?

  • bewarenA2

    bewaarde · hebben bewaard

    to keep, to store

    Bewaar deze brief goed.

  • bewegenB1irregular

    bewoog · bewogen · hebben bewogen

    to move, to exercise

    Probeer elke dag genoeg te bewegen.

  • bewerenA2

    beweerde · hebben beweerd

    to claim, to assert

    Hij beweert dat hij niets wist.

  • zich bezighoudenB1separablereflexiveirregular

    hield bezig · hielden bezig · hebben beziggehouden

    to be occupied with, to deal with

    Zij houdt zich bezig met vrijwilligerswerk.

  • bezoekenA2irregular

    bezocht · bezochten · hebben bezocht

    to visit

    We bezoeken zondag mijn ouders.

  • bezorgenA2

    bezorgde · hebben bezorgd

    to deliver

    Ze bezorgen het pakket morgen.

  • biddenB1irregular

    bad · baden · hebben gebeden

    to pray

    Mijn grootmoeder bidt elke avond voor het slapen.

  • biedenB1irregular

    bood · boden · hebben geboden

    to offer, to provide

    De gemeente biedt hulp bij het zoeken naar werk.

  • bijkomenB1separableirregular

    kwam bij · kwamen bij · zijn bijgekomen

    to recover, to catch one's breath

    Ik ben nog aan het bijkomen van de reis.

  • blijkenB1irregular

    bleek · bleken · zijn gebleken

    to turn out, to appear

    Het bleek dat niemand de sleutel had.

  • blijvenA1irregular

    bleef · bleven · zijn gebleven

    to stay

    Blijf je vanavond eten?

  • bouwenA2

    bouwde · hebben gebouwd

    to build

    Hier gaan ze honderd nieuwe woningen bouwen.

  • brekenA2irregular

    brak · braken · hebben/zijn gebroken

    to break

    Ze is gevallen en heeft haar arm gebroken.

  • brengenA1irregular

    bracht · brachten · hebben gebracht

    to bring, to take

    Ik breng de kinderen naar school.

  • zich concentrerenB1reflexive

    concentreerde · hebben geconcentreerd

    to concentrate

    Ik kan me niet concentreren met dit lawaai.

  • controlerenA2

    controleerde · hebben gecontroleerd

    to check

    Controleer je gegevens voordat je verstuurt.

  • dalenB1

    daalde · zijn gedaald

    to fall, to go down

    De prijs van benzine is deze maand gedaald.

  • dankenB1

    dankte · hebben gedankt

    to thank; to owe (to)

    Ik wil iedereen danken voor de hulp bij de verhuizing.