Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

430 words · page 3 of 18

  • het cadeauA1

    present, gift

    Voor zijn verjaardag kreeg hij een mooi cadeau.

  • het centrumA1

    centre (of town)

    Ik woon tien minuten van het centrum.

  • de champignonA1

    mushroom

    In de saus zitten champignons.

  • de chocoladeA1

    chocolate

    Zij houdt van donkere chocolade.

  • de citroenA1

    lemon

    Doe wat citroen in het water.

  • de computerA1

    computer

    Mijn computer is heel langzaam.

  • het contactA1

    contact

    Ik heb nog geen contact met hem gehad.

  • de cultuurA1

    culture

    Elke cultuur kent eigen omgangsvormen.

  • de dagA1

    day

    Elke dag ga ik naar mijn werk.


    hello; bye

    Dag mevrouw, kan ik u helpen?

  • het dagelijksA1

    daily

    Ik oefen dagelijks een half uur.

  • de datumA1

    date

    Wat is de datum van vandaag?

  • decemberA1

    December

    In december zijn er veel feestdagen.

  • het deelA1

    part

    Het eerste deel van de cursus is klaar.

  • het dekbedA1

    duvet

    In de winter gebruik ik een dik dekbed.

  • de deurA1

    door

    Doe je de deur even dicht?

  • het dierA1

    animal

    In het park zie je veel dieren.

  • het dingA1

    thing

    Wat is dat voor een ding?

  • de dinsdagA1

    Tuesday

    Dinsdag heb ik een afspraak.

  • de dochterA1

    daughter

    Onze dochter is vijf jaar oud.

  • het doekA1

    cloth

    Veeg de tafel af met een doek.

  • het doelA1

    goal, aim

    Wat is het doel van deze cursus?

  • de dokterA1

    doctor

    Ik ga morgen naar de dokter.

  • de donderdagA1

    Thursday

    De les is elke donderdag.

  • de doosA1

    box

    De boeken zitten in een doos.

  • het dorpA1

    village

    Zij komt uit een klein dorp.