Vocabulary
6551 words · page 257 of 263
zelfstandigB1
self-reliant, independent
Je moet in deze functie zelfstandig kunnen werken.
de zelfstandigeB2
self-employed person
Als zelfstandige regel je je eigen pensioen.
de zelfstandigheidB1
independence
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
de zelfstudieB1
self-study
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
het zelfvertrouwenB2
self-confidence
Door de cursus kreeg ze meer zelfvertrouwen.
zendenB1irregular
zond · zonden · hebben gezonden
to send; to broadcast
De omroep zendt de wedstrijd live uit.
de zenderB2
channel, station
Deze zender brengt vooral documentaires.
de zendmastB2
transmission mast
De nieuwe zendmast stuitte op bezwaren.
de zendtijdB2
airtime
Elke partij krijgt evenveel zendtijd.
de zenuwB2
nerve
Er zit een zenuw bekneld in zijn rug.
zenuwachtigA2
nervous
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
het zenuwstelselB2
nervous system
Stress belast het zenuwstelsel.
zesA1
six
We eten om zes uur.
zestienA1
sixteen
Met zestien jaar mag je in Nederland op een scooter rijden.
zestigA1
sixty
Mijn vader is zestig geworden.
de zetelB1
seat (in parliament)
De partij won vijf zetels in de Tweede Kamer.
zettenA1
zette · hebben gezet
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zeurende pijnB2
nagging pain
Het is meer een zeurende pijn dan een scherpe.
zevenA1
seven
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
seventy
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
het zichtB1
visibility, view, sight
Door de mist was er weinig zicht op de weg.
zichtbaarB1
visible
Draag in het donker een zichtbaar hesje op de fiets.
ziekA1
ill
Ik ben vandaag ziek.
het ziekenhuisA2
hospital
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
de ziekenhuisafdelingB2
hospital ward
Hij ligt op de ziekenhuisafdeling cardiologie.

