Vocabulary
634 words · page 25 of 26
wandelenA1
wandelde · hebben/zijn gewandeld
to walk, to stroll
We gaan zondag wandelen.
wassenA2irregular
waste · wasten · hebben gewassen
to wash
Ik moet nog kleren wassen.
weerleggenB2
weerlegde · hebben weerlegd
to refute
Dat argument is makkelijk te weerleggen.
weersprekenB2irregular
weersprak · weerspraken · hebben weersproken
to refute, to contradict
De feiten weerspreken zijn verhaal.
weggaanA2separableirregular
ging weg · gingen weg · zijn weggegaan
to leave
Wanneer ga je weg?
weggooienA2separable
gooide weg · hebben weggegooid
to throw away
Gooi het oude papier weg.
weigerenB1
weigerde · hebben geweigerd
to refuse
Hij weigerde het voorstel.
wennenA2
wende · zijn gewend
to get used (to)
Ik moet nog wennen aan het Nederlandse weer.
wensenA2
wenste · hebben gewenst
to wish
Wij wensen u veel beterschap.
werkenA1
werkte · hebben gewerkt
to work
Zij werkt in een ziekenhuis.
to work, to function (of a device)
De lift werkt vandaag niet.
wetenA1irregular
wist · wisten · hebben geweten
to know (a fact)
Ik weet het niet.
wijzenB1irregular
wees · wezen · hebben gewezen
to point
Zij wees naar het huis aan de overkant.
willenA1irregular
wilde · wilden · hebben gewild
to want
Ik wil graag koffie.
winnenA2irregular
won · wonnen · hebben gewonnen
to win
Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?
wisselenA2
wisselde · hebben gewisseld
to change (money)
Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?
to alternate, to keep changing
Het weer wisselt hier van uur tot uur.
wonenA1
woonde · hebben gewoond
to live, to reside
Wij wonen in Utrecht.
wordenA1irregular
werd · werden · zijn geworden
to become
Hij wil dokter worden.
(passive auxiliary: is/are being)
De brief wordt morgen verstuurd.
zaaienB2
zaaide · hebben gezaaid
to sow
In maart kun je al zaaien.
zakkenB1
zakte · zijn gezakt
to fail (an exam)
Hij is helaas gezakt voor het examen.
de zakken
bags, sacks (plural of zak)
Hij zet de zakken met oud papier bij de container.
zeggenA1irregular
zei · zeiden · hebben gezegd
to say
Wat zei je?
zendenB2irregular
zond · zonden · hebben gezonden
to send; to broadcast
De omroep zendt de wedstrijd live uit.
zettenA1
zette · hebben gezet
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zich ziekmeldenA2separablereflexive
meldde ziek · hebben ziekgemeld
to call in sick
Je moet je voor negen uur ziekmelden.
zienA1irregular
zag · zagen · hebben gezien
to see
Ik zie je morgen.
zijnA1irregular
was · waren · zijn geweest
to be
Ik ben blij dat je er bent.
his
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

