Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

1768 words · page 25 of 71

  • de hulpverlenerB1

    support worker

    Een hulpverlener begeleidt het gezin.

  • de huurA2

    rent

    De huur moet voor de eerste van de maand betaald worden.

  • de huurbetalingB1

    rent payment

    De huurbetaling gaat automatisch van mijn rekening.

  • het huurcontractA2

    rental contract

    Lees het huurcontract goed door.

  • de huurderA2

    tenant

    De huurder moet kleine reparaties zelf doen.

  • de huurprijsB1

    rental price

    De huurprijs gaat elk jaar omhoog.

  • de huurtoeslagA2

    rent allowance

    Ik ontvang huurtoeslag van de Belastingdienst.

  • de huurverhogingA2

    rent increase

    De huurverhoging gaat in juli in.

  • de huurwoningB1

    rental home

    De wachttijd voor een sociale huurwoning is jaren.

  • het huwelijkA1

    marriage, wedding

    Hun huwelijk was in juni.

  • de hypotheekB1

    mortgage

    Zij hebben een hypotheek van dertig jaar.

  • het ideeA1

    idea

    Dat is een goed idee.

  • het identiteitsbewijsA2

    identity document

    Neem een geldig identiteitsbewijs mee.

  • de identiteitscontroleB1

    identity check

    Bij binnenkomst is er een identiteitscontrole.

  • het ijsA1

    ice, ice cream

    De kinderen willen een ijsje.

  • de inburgeringA2

    civic integration

    De inburgering is verplicht voor veel nieuwkomers.

  • het inburgeringsexamenB1

    civic integration exam

    Zij is geslaagd voor het inburgeringsexamen.

  • de inburgeringsplichtA2

    civic integration obligation

    Voor veel nieuwkomers geldt een inburgeringsplicht.

  • de incassoB1

    direct debit

    De huur gaat via automatische incasso.

  • de INDA2

    immigration service

    De IND beslist over je verblijfsaanvraag.

  • de indrukB1

    impression

    Hij maakte een goede indruk tijdens het gesprek.

  • de industrieA2

    industry

    De industrie verbruikt veel energie.

  • de informatieA1

    information

    Meer informatie vind je op de website.

  • het ingrediëntA2

    ingredient

    Welke ingrediënten heb je nodig?

  • de inhoudB1

    content(s)

    De inhoud van de brief was niet duidelijk.