Vocabulary
1768 words · page 24 of 71
de hondA1
dog
De hond moet hier aangelijnd zijn.
de hongerA1
hunger
Ik heb honger.
de honingA1
honey
Doe wat honing in je thee.
het hoofdA1
head
Mijn hoofd doet pijn.
head, manager (of a department)
Het hoofd van de afdeling neemt het besluit.
het hoofdgerechtA2
main course
Het hoofdgerecht was vis met groente.
de hoofdpijnA2
headache
Ik heb de hele dag hoofdpijn.
de hoofdstadA2
capital city
Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.
de hoogteB1
height
De vlieger vliegt op grote hoogte boven het strand.
het hoogwaterB1
high water
Bij hoogwater staan de dijken onder druk.
het horlogeA1
watch
Mijn horloge loopt achter.
het hotelA1
hotel
We slapen twee nachten in een hotel in Brugge.
de houdbaarheidsdatumA2
best-before date
Kijk even naar de houdbaarheidsdatum.
het houtA2
wood
De tafel in onze keuken is van hout.
de huidA1
skin
Bescherm je huid tegen de zon.
het huisA1
house
Ik woon in een klein huis.
de huisapotheekA2
first-aid cabinet
Zorg voor een goede huisapotheek.
de huisartsA2
GP, family doctor
Je gaat eerst naar de huisarts.
de huisartsenpostA2
out-of-hours GP service
's Avonds belt u de huisartsenpost.
de huisbaasA2
landlord
Ik heb de huisbaas gebeld over de kraan.
de huisgenootA1
housemate
Mijn huisgenoot kookt vanavond.
de huisregelsA2
house rules
Lees de huisregels van het gebouw.
de huisvestingB1
housing (provision)
De huisvesting van studenten is een probleem.
het huiswerkB1
homework
Ik maak mijn huiswerk 's avonds.
de hulpA1
help
Bedankt voor je hulp.
het hulpmiddelB1
aid, assistive device
Een rollator is een handig hulpmiddel.

