Vocabulary
7085 words · page 228 of 284
de toetsB1
test
Morgen hebben we een toets.
toetsenB1
toetste · hebben getoetst
to test, to check
De docent toetst elke maand wat we geleerd hebben.
het toetsenbordB2
keyboard
Het Nederlandse toetsenbord wijkt iets af.
de toetsingB2
assessment
De toetsing gebeurt aan het eind van elk blok.
de toetsweekB1
assessment week
Volgende maand is de toetsweek.
het toevalB1
chance, coincidence
Het was puur toeval dat we elkaar daar zagen.
toevalligA2
by chance, coincidentally
Ik zag mijn oude leraar toevallig in de supermarkt.
toevoegenB1separable
voegde toe · hebben toegevoegd
to add
Voeg nog een beetje zout aan de soep toe.
toewijzenB1separableirregular
wees toe · wezen toe · hebben toegewezen
to allocate, to assign
De corporatie heeft ons eindelijk een woning toegewezen.
de toezeggingB2
pledge, commitment
De toezegging staat zwart op wit.
het toezichtB1
supervision, oversight
De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van scholen.
de toezichthouderB2
regulator, supervisory body
De toezichthouder legde een boete op.
het toiletA1
toilet
Waar is het toilet?
de tolerantieB2
tolerance
Tolerantie wordt vaak als Nederlandse waarde genoemd.
de tolkB2
interpreter
Bij het gesprek was een tolk aanwezig.
de tolwegB2
toll road
In Frankrijk rijd je vaak over een tolweg.
de tomaatA1
tomato
Doe een tomaat in de salade.
het toneelB1
stage, drama
Zij staat al twintig jaar op het toneel.
de toneelmeesterB2
stage manager
De toneelmeester regelt alles achter de schermen.
het toneelstukB1
play
Het toneelstuk gaat over een gezin in oorlogstijd.
tonenB1
toonde · hebben getoond
to show
Kunt u bij de ingang uw kaartje tonen?
de tongA1
tongue
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
de toonA2
tone
Zijn toon was nogal onvriendelijk.
de toonbankB1
counter (in a shop)
De verkoper legt het brood op de toonbank.
de toonhoogteB2
pitch
Bij een vraag gaat de toonhoogte omhoog.

