Vocabulary
796 words · page 2 of 32
de appA1
app
Met deze app kun je een treinkaartje kopen.
message (in a chat app)
Ik stuur je vanavond een app.
de appelA1
apple
Ik neem een appel mee naar mijn werk.
aprilA1
April
In april bloeien de bloemen.
de armA1
arm
Mijn arm is stijf.
poor
Veel arme gezinnen krijgen hulp van de gemeente.
het artikelA1
article
Ik heb een interessant artikel gelezen.
augustusA1
August
Augustus is vaak de warmste maand.
de autoA1
car
Onze auto staat voor de deur.
de avondA1
evening
's Avonds kijk ik televisie.
de azijnA1
vinegar
Doe wat azijn in de salade.
de babyA1
baby
De baby slaapt nu.
de badkamerA1
bathroom
De badkamer is boven.
de balA1
ball
De kinderen spelen met een bal in de tuin.
de banaanA1
banana
Wil je een banaan?
de batterijA1
battery
De batterij is leeg.
het bedA1
bed
Ik ga vroeg naar bed.
bedankenA1
bedankte · hebben bedankt
to thank
Ik wil je bedanken voor je hulp.
bedoelenA1
bedoelde · hebben bedoeld
to mean (to intend)
Wat bedoel je precies?
het bedrijfA1
company
Zij werkt bij een groot bedrijf.
het beenA1
leg
Hij heeft zijn been gebroken.
het beetjeA1
a bit, a little
Ik spreek al een beetje Nederlands en Engels.
het beginA1
beginning
Aan het begin van de les zeggen we iets over het weekend.
beginnenA1irregular
begon · begonnen · zijn begonnen
to begin
De les begint om negen uur.
begrijpenA1irregular
begreep · begrepen · hebben begrepen
to understand
Ik begrijp de vraag niet helemaal.
de belA1
doorbell
De bel doet het niet.
belangrijkA1
important
Dit is een belangrijke brief.

