Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

52 words · page 2 of 3

  • ophalenA2separable

    haalde op · hebben opgehaald

    to pick up

    Ik haal je om zeven uur op.

  • oplettenA2separable

    lette op · hebben opgelet

    to pay attention

    Let goed op bij het oversteken.

  • opruimenA2separable

    ruimde op · hebben opgeruimd

    to tidy up

    Ruim je spullen even op.

  • opschrijvenA2separableirregular

    schreef op · schreven op · hebben opgeschreven

    to write down

    Kun je je telefoonnummer even voor mij opschrijven?

  • opsturenA2separable

    stuurde op · hebben opgestuurd

    to send (by post)

    Ik moet dit formulier vandaag nog naar de gemeente opsturen.

  • optillenA2separable

    tilde op · hebben opgetild

    to lift up, to pick up

    Ik kan mijn zware koffer niet alleen optillen.

  • optredenA2separableirregular

    trad op · traden op · hebben opgetreden

    to perform (on stage)

    De band treedt zaterdag op.


    het optreden

    performance

    Het optreden van de band duurde twee uur.

  • opvallenA2separableirregular

    viel op · vielen op · zijn opgevallen

    to stand out, to strike one

    Het valt me op dat je beter spreekt.

  • opwarmenA2separable

    warmde op · hebben opgewarmd

    to heat up

    Warm het eten even op in de magnetron.

  • opzeggenA2separableirregular

    zei op · zeiden op · hebben opgezegd

    to terminate, to cancel

    Ik wil mijn contract opzeggen.

  • opzoekenA2separableirregular

    zocht op · zochten op · hebben opgezocht

    to look up (in a source)

    Zoek het woord even op.


    to go and see, to visit (someone)

    Ik ga dit weekend mijn oma opzoeken.

  • overstappenA2separable

    stapte over · zijn overgestapt

    to change (trains)

    In Utrecht moet je overstappen.


    to switch (to another provider)

    Veel mensen stappen over naar een goedkopere zorgverzekering.

  • schoonmakenA2separable

    maakte schoon · hebben schoongemaakt

    to clean

    Op zaterdag maak ik het huis schoon.

  • terugbetalenA2separable

    betaalde terug · hebben terugbetaald

    to pay back

    Ik betaal je volgende week terug.

  • terugkomenA2separableirregular

    kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen

    to come back

    Hij komt volgende week terug.

  • thuisblijvenA2separableirregular

    bleef thuis · bleven thuis · zijn thuisgebleven

    to stay at home

    Ik blijf vandaag thuis.

  • toestaanA2separableirregular

    stond toe · stonden toe · hebben toegestaan

    to allow

    Honden zijn hier niet toegestaan.

  • uitgevenA2separableirregular

    gaf uit · gaven uit · hebben uitgegeven

    to spend

    Ik geef te veel geld uit aan eten.


    to publish

    Die uitgeverij geeft vooral kinderboeken uit.

  • uitkomenA2separableirregular

    kwam uit · kwamen uit · zijn uitgekomen

    to suit; to turn out

    Komt dinsdag jou goed uit?


    to come out, to turn out (to be the case)

    Later kwam uit dat de cijfers niet klopten.

  • uitstappenA2separable

    stapte uit · zijn uitgestapt

    to get off

    Bij welke halte moet ik uitstappen?

  • uitzoekenA2separableirregular

    zocht uit · zochten uit · hebben uitgezocht

    to find out, to sort out

    Ik zoek uit wat de regels precies zijn.

  • voorbereidenA2separable

    bereidde voor · hebben voorbereid

    to prepare (something)

    We bereiden de vergadering samen voor.


    zich voorbereidenreflexive

    to prepare oneself, to get ready

    Ik bereid me voor op het examen.

  • voorkomenA1separableirregular

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    to occur, to happen

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • voorlezenA2separableirregular

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    to read aloud

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • weggaanA2separableirregular

    ging weg · gingen weg · zijn weggegaan

    to leave

    Wanneer ga je weg?