Vocabulary
1053 words · page 18 of 43
de kleinzoonA1
grandson
Haar kleinzoon is net geboren.
de klerenA1
clothes
Ik koop nieuwe kleren.
de kleurA1
colour
Welke kleur vind je mooi?
de klokA1
clock
De klok in de keuken loopt voor.
bell
De klok van de kerk luidt elke zondagochtend.
de knieA1
knee
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
de koekA1
biscuit, cake
Bij de koffie krijg je een koekje.
de koelkastA1
fridge
De melk staat in de koelkast.
de kofferA2
suitcase
Mijn koffer is te zwaar.
de koffieA1
coffee
Zullen we een kopje koffie drinken?
de komkommerA1
cucumber
Snijd de komkommer in plakjes.
de koningA1
king
De koning opende het parlementaire jaar.
de koninginA2
queen
De koningin bezocht het ziekenhuis.
de KoningsdagA2
King's Day
Op Koningsdag is het hele land oranje.
het kookboekA2
cookbook
Dit recept staat in mijn kookboek.
de koolA1
cabbage
In de winter eten we vaak kool.
coal
Vroeger stookten ze de kachel op kool.
het koopjeA2
bargain
Die jas was echt een koopje.
de koortsA2
fever
Het kind heeft koorts.
de kopA2
cup; head (of an animal)
Wil je een kop thee of liever koffie?
het kopjeA1
cup
Wil je een kopje thee?
de kortingA2
discount
Er is deze week korting op groente.
de kortingsactieA2
discount promotion
Er loopt een kortingsactie tot zondag.
de kortingsbonA2
discount voucher
Ik heb nog een kortingsbon.
de kortingscodeA2
discount code
Vul de kortingscode in bij het afrekenen.
de kortingskaartA2
discount card
Met een kortingskaart reis je goedkoper.
kostenA2
kostte · hebben gekost
to cost
De cursus kost honderd euro per maand.
de kosten
costs
De kosten vallen mee.

