Vocabulary
4334 words · page 170 of 174
de zeepA1
soap
Was je handen met zeep.
zeerB1
very (formal)
De service in dit hotel was zeer goed.
de zegenB1
blessing
Na die droge zomer was de regen een zegen.
zeggenA1irregular
zei · zeiden · hebben gezegd
to say
Wat zei je?
het zeilB1
sail
De boot heeft een groot wit zeil.
zeilenB1
zeilde · hebben gezeild
to sail
In de zomer zeilen we op de Friese meren.
zekerA1
certain, sure
Weet je dat zeker?
de zekerheidB1
certainty, security
Een vast contract geeft meer zekerheid.
zeldenA2
rarely
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zeldzaamB1
rare
Deze vogel is heel zeldzaam in Nederland.
zelfA1
self, oneself
Dat heb ik zelf gemaakt.
de zelfmoordB1
suicide
Wie aan zelfmoord denkt, kan anoniem met een hulplijn praten.
zelfsB1
even
Zelfs op zondag werkt hij in de winkel.
zelfstandigB1
self-reliant, independent
Je moet in deze functie zelfstandig kunnen werken.
de zelfstandigheidB1
independence
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
de zelfstudieB1
self-study
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
het zelfvertrouwenB1
self-confidence
Door de cursus kreeg ze meer zelfvertrouwen.
zendenB1irregular
zond · zonden · hebben gezonden
to send; to broadcast
De omroep zendt de wedstrijd live uit.
zenuwachtigA2
nervous
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
zesA1
six
We eten om zes uur.
zestienA1
sixteen
Met zestien jaar mag je in Nederland op een scooter rijden.
zestigA1
sixty
Mijn vader is zestig geworden.
de zetelB1
seat (in parliament)
De partij won vijf zetels in de Tweede Kamer.
zettenA1
zette · hebben gezet
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
seven
Een week heeft zeven dagen.

