Vocabulary
1756 words · page 16 of 71
enA1
and
Ik neem brood en kaas.
de energieA1
energy
De prijzen voor energie zijn gestegen.
het energielabelA2
energy label
Dit huis heeft energielabel C.
het EngelsA1
English (language)
Mijn kinderen spreken thuis Nederlands en op school Engels.
de enkelA1
ankle
Ik heb mijn enkel verzwikt.
single, any; only
Er is geen enkele reden om je zorgen te maken.
enormA2
enormous, huge
Het nieuwe ziekenhuis is een enorm gebouw.
enthousiastA2
enthusiastic
De klas was enthousiast over het uitje.
de envelopA1
envelope
Doe de brief in een envelop.
ergA1
very; bad
Dat is erg vervelend.
ergensA2
somewhere
Mijn sleutels liggen hier ergens.
erkennenA2
erkende · hebben erkend
to acknowledge
De minister erkende de fout.
eruitzienA2separableirregular
zag eruit · zagen eruit · hebben eruitgezien
to look (like), to appear
Weet jij hoe de nieuwe buurman eruitziet?
ervarenA2irregular
ervoer · ervoeren · hebben ervaren
to experience
Veel mensen ervaren het examen als stressvol.
de ervaringA2
experience
Voor deze functie is ervaring nodig.
de erwtA1
pea
In de soep zitten erwten en wortels.
etenA1irregular
at · aten · hebben gegeten
to eat
Wij eten meestal om zes uur.
het eten
food
Nederlands eten is soms heel simpel.
het etiketA2
label
Kijk even op het etiket.
de euroA1
euro
De euro is in twintig landen betaalmiddel.
evenA1
just, for a moment
Wacht even, ik kom eraan.
extraA2
extra, additional
Voor een extra koffer betaal je dertig euro.
de factuurA2
invoice
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
de familieA1
family
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
family visit
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
family member
Er komt een familielid op bezoek.
de fanA2
fan
Mijn zoon is een grote fan van deze voetballer.

