Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

634 words · page 16 of 26

  • printenA2

    printte · hebben geprint

    to print

    Kun je dit formulier even printen?

  • prioriterenB2

    prioriteerde · hebben geprioriteerd

    to prioritise

    We moeten onze taken beter prioriteren.

  • proberenA1

    probeerde · hebben geprobeerd

    to try

    Wil je dit even proberen?

  • producerenB1

    produceerde · hebben geproduceerd

    to produce

    Deze fabriek produceert kaas voor heel Europa.

  • proevenA2

    proefde · hebben geproefd

    to taste

    Wil je even proeven of het goed is?

  • promoverenB2

    promoveerde · zijn gepromoveerd

    to obtain a doctorate

    Hij is vorig jaar gepromoveerd.

  • publicerenA1

    publiceerde · hebben gepubliceerd

    to publish

    De krant publiceerde het rapport gisteren.

  • radenA1irregular

    raadde · raadden · hebben geraden

    to guess

    Raad eens wie ik zag!

  • rakenB1

    raakte · hebben/zijn geraakt

    to hit, to touch; to get (become)

    Hij is bij het ongeluk gewond geraakt.

  • rangschikkenB2

    rangschikte · hebben gerangschikt

    to arrange, to rank

    Rangschik de zinnen in de juiste volgorde.

  • rapporterenB2

    rapporteerde · hebben gerapporteerd

    to report

    Je rapporteert rechtstreeks aan de directeur.

  • reagerenA1

    reageerde · hebben gereageerd

    to respond

    Hij heeft nog niet op mijn mail gereageerd.

  • zich realiserenA2reflexive

    realiseerde · hebben gerealiseerd

    to realise

    Ik realiseerde me pas later wat er gebeurd was.

  • recyclenB2

    recyclede · hebben gerecycled

    to recycle

    Plastic kun je vaak recyclen.

  • reddenB1

    redde · hebben gered

    to save, to rescue; to manage

    De brandweer heeft de kat uit de boom gered.

  • regelenA2

    regelde · hebben geregeld

    to arrange, to sort out

    Ik regel het morgen wel.

  • registrerenB1

    registreerde · hebben geregistreerd

    to register

    Je moet je bij de gemeente laten registreren.

  • reizenA1

    reisde · hebben/zijn gereisd

    to travel

    Ik reis elke dag met de trein.

  • rekenenA2

    rekende · hebben gerekend

    to calculate

    Ik moet even rekenen hoeveel het kost.

  • relativerenB2

    relativeerde · hebben gerelativeerd

    to put into perspective

    Je moet die cijfers wel relativeren.

  • remmenB1

    remde · hebben geremd

    to brake

    Bij regen moet je eerder remmen.


    de remmen

    brakes (plural of rem)

    De remmen van mijn fiets doen het niet meer.

  • rennenA1

    rende · hebben/zijn gerend

    to run

    De kinderen rennen door de tuin.

  • reorganiserenB2

    reorganiseerde · hebben gereorganiseerd

    to reorganise

    De afdeling wordt volgend jaar gereorganiseerd.

  • reparerenA2

    repareerde · hebben gerepareerd

    to repair

    Kun jij mijn fiets morgen voor me repareren?

  • reserverenB1

    reserveerde · hebben gereserveerd

    to reserve, to book

    Je moet vooraf een plaats reserveren.