Vocabulary
1053 words · page 16 of 43
de invloedA2
influence
Sociale media hebben veel invloed op jongeren.
de isolatieA2
insulation
Betere isolatie verlaagt de energierekening.
het jaarA1
year
Een jaar heeft twaalf maanden.
de jamA1
jam
Ik eet brood met jam.
januariA1
January
Mijn cursus begint in januari.
de jasA1
coat
Doe je jas aan, het is koud.
de jongenA1
boy
Die jongen is mijn zoon.
de journalistA2
journalist
De journalist sprak met meerdere getuigen.
juliA1
July
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
June
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
dress
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
de kaarsA1
candle
Op tafel brandt een kaars.
de kaartA1
card; map
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
het kaartjeA2
ticket
Ik heb mijn kaartje al gekocht.
de kaasA1
cheese
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
het kabinetA2
cabinet
Het nieuwe kabinet is deze week beëdigd.
de kachelA1
heater, stove
Zet de kachel wat hoger.
de kamA1
comb
Mag ik je kam even lenen?
de kamerA1
room
Mijn kamer is niet zo groot.
chamber (of parliament)
De Tweede Kamer stemt volgende week over de wet.
het kanaalA2
canal
Het kanaal verbindt twee rivieren.
de kaneelA1
cinnamon
Doe wat kaneel op de appels.
de kansA1
chance, opportunity
Dit is een mooie kans voor jou.
de kantA2
side
Aan welke kant van de straat woont u?
het kantoorA2
office
Ons kantoor is vlak bij het station.
de kantoorurenA2
office hours
Bel tijdens kantooruren.

