Vocabulary
3981 words · page 159 of 160
de zorgketenB2
care chain
De zorgketen loopt van huisarts tot specialist.
de zorgkostenB2
healthcare costs
De zorgkosten stijgen elk jaar.
de zorgkwaliteitB2
quality of care
De zorgkwaliteit wordt jaarlijks getoetst.
de zorgmedewerkerB1
care worker
De zorgmedewerker komt twee keer per dag.
de zorgorganisatieB2
care organisation
De zorgorganisatie beheert vijf locaties.
de zorgpasB1
health insurance card
Neem uw zorgpas mee naar de afspraak.
het zorgpersoneelB2
care staff
Er is een tekort aan zorgpersoneel.
het zorgplanB1
care plan
In het zorgplan staat wie wat doet.
de zorgplichtB2
duty of care
De werkgever heeft een zorgplicht voor zijn personeel.
de zorgprofessionalB2
healthcare professional
Elke zorgprofessional volgt bijscholing.
de zorgsectorB2
care sector
De zorgsector kampt met hoge werkdruk.
de zorgstandaardB2
care standard
Er is een landelijke zorgstandaard voor diabetes.
het zorgstelselB2
healthcare system
Het Nederlandse zorgstelsel staat onder druk.
de zorgtoeslagA2
healthcare allowance
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.
de zorgverlenerB1
care provider
Bespreek dit met uw zorgverlener.
de zorgverleningB2
provision of care
De zorgverlening thuis wordt uitgebreid.
de zorgverzekeraarB2
health insurer
De zorgverzekeraar vergoedt deze behandeling niet.
de zorgverzekeringA2
health insurance
Een zorgverzekering is in Nederland verplicht.
de zorgvraagB2
demand for care
De zorgvraag stijgt door de vergrijzing.
het zoutA1
salt
Er zit te veel zout in.
salty
De soep is me veel te zout.
het zoutgehalteB2
salt content
Het zoutgehalte in kant-en-klaarmaaltijden is hoog.
het zuidenA2
south
In het zuiden van Nederland is het vaak warmer.
de zuigelingB2
infant
Een zuigeling slaapt het grootste deel van de dag.
de zusA1
sister
Ik bel mijn zus elke week.
de zwaanB2
swan
De zwaan verdedigt haar jongen.

