Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

3699 words · page 146 of 148

  • het ziekenhuisA2

    hospital

    Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.

  • het ziekenhuisbezoekB1

    hospital visit

    Het ziekenhuisbezoek duurde twee uur.

  • de ziekenhuisopnameB1

    hospital admission

    Een ziekenhuisopname was niet nodig.

  • zich ziekmeldenA2separablereflexive

    meldde ziek · hebben ziekgemeld

    to call in sick

    Je moet je voor negen uur ziekmelden.

  • de ziekmeldingB1

    sickness notification

    Doe je ziekmelding voor negen uur.

  • de ziekteA1

    illness, disease

    Het is een ziekte die vaak voorkomt.

  • het ziektebeeldB1

    clinical picture

    Dit ziektebeeld komt vaker voor bij ouderen.

  • de ziektekostenB1

    medical expenses

    De ziektekosten worden grotendeels vergoed.

  • de ziektekostenvergoedingB1

    medical cost reimbursement

    Vraag na of je ziektekostenvergoeding krijgt.

  • de zielB1

    soul

    Muziek is goed voor de ziel.

  • zieligA2

    pitiful, sad

    Dat kleine katje in de regen is echt zielig.

  • zienA1irregular

    zag · zagen · hebben gezien

    to see

    Ik zie je morgen.

  • de zijdeA2

    silk

    De sjaal is van zijde.


    side

    Aan de andere zijde van de straat staat een apotheek.

  • de zijkantA2

    side (of a building)

    De ingang zit aan de zijkant van het huis.

  • zijnA1irregular

    was · waren · zijn geweest

    to be

    Ik ben blij dat je er bent.


    his

    Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

  • het zilverB1

    silver

    Deze ring is van echt zilver.

  • de zinA2

    sentence

    Schrijf een zin met het woord 'huis'.


    desire, feeling like (zin hebben)

    Ik heb geen zin om vandaag te koken.

  • zingenA2irregular

    zong · zongen · hebben gezongen

    to sing

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zinkenB1irregular

    zonk · zonken · zijn gezonken

    to sink

    Het oude schip zonk in de storm.

  • zittenA1irregular

    zat · zaten · hebben gezeten

    to sit

    Zij zit op de bank.


    to be (in or inside something)

    De sleutels zitten in de zak van mijn jas.

  • zoA1

    so, like this

    Doe het zo.

  • zo'nA2

    such a; about (approx.)

    Ik wil ook zo'n fiets met een mand voorop.

  • zoalsA2

    as, like

    Zoals je weet, zijn wij morgen gesloten.

  • zodraA2

    as soon as

    Ik bel je zodra ik thuis ben.

  • zoekenA1irregular

    zocht · zochten · hebben gezocht

    to look for

    Ik zoek mijn sleutels.