Vocabulary
4398 words · page 132 of 176
de spitsB1
rush hour
Reis liever buiten de spits.
pointed, sharp
Het dak van de kerk loopt spits toe.
het spitsuurB1
rush hour
Vermijd het spitsuur als het kan.
de spoedA2
emergency, urgency
Bij spoed belt u dit nummer.
het spoedgevalB1
emergency case
Bij een spoedgeval belt u 112.
de spoedhulpB2
emergency aid
Bij spoedhulp telt elke minuut.
de sponsorB2
sponsor
De sponsor betaalt de nieuwe shirts van het team.
de sponsoringB2
sponsorship
De club leeft van sponsoring.
de sponsorloopB2
sponsored run
De school hield een sponsorloop.
de spontaniteitB2
spontaneity
Zijn spontaniteit maakt hem geliefd.
het spoorA2
track, platform; trace
De trein naar Utrecht vertrekt van spoor vijf.
de spoorlijnB1
railway line
De spoorlijn wordt volgend jaar vernieuwd.
de sportA1
sport
Welke sport doe jij?
het sportabonnementB1
gym membership
Mijn sportabonnement loopt per maand.
de sportartsB2
sports physician
De sportarts bepaalt wanneer hij weer mag spelen.
het sportevenementB1
sports event
Het sportevenement trekt duizenden bezoekers.
de sportkantineB1
sports club canteen
Na de wedstrijd zitten we in de sportkantine.
de sportmassageB2
sports massage
Na de wedstrijd volgt een sportmassage.
de sportprestatieB1
sports performance
Zijn sportprestaties zijn indrukwekkend.
de sportschoolB1
gym
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.
de sportuitrustingB1
sports gear
Neem je eigen sportuitrusting mee.
het sportveldB1
sports field
Achter de school ligt een sportveld.
de sportverenigingB2
sports club
Bijna elk dorp heeft een sportvereniging.
de spotB2
mockery
Hij dreef de spot met zijn eigen fouten.
de spraakB1
speech (ability to speak)
Na de beroerte had hij problemen met zijn spraak.
het sprakeloosB2
speechless
Het nieuws maakte ons sprakeloos.

