Vocabulary
4398 words · page 131 of 176
de spaarrekeningB1
savings account
Het geld staat op een spaarrekening.
de spaarrenteB1
savings interest
De spaarrente is eindelijk weer gestegen.
het spaartegoedB1
savings balance
Mijn spaartegoed groeit langzaam.
de spaarzegelB2
savings stamp
Voor tien spaarzegels krijg je een glas.
de spanningA2
tension
Er hing spanning in de kamer.
de sparB2
spruce, fir
De spar blijft ook 's winters groen.
de specerijB2
spice
Kaneel is een specerij.
de specialisatieB2
specialisation
Zijn specialisatie is arbeidsrecht.
het specialismeB2
medical specialty
Voor dit specialisme is de wachttijd lang.
de specialistB1
specialist
De huisarts verwees mij naar een specialist.
het speelgoedA2
toys
Ruim je speelgoed op voordat je gaat slapen.
de speeltuinB1
playground
De kinderen spelen in de speeltuin.
het spelA2
game (board, computer)
We spelen op zondag vaak een spel met de kinderen.
de spelerA2
player
Elke speler krijgt aan het begin vijf kaarten.
het spelletjeB1
game
Zullen we een spelletje doen?
de spellingB2
spelling
Let bij het schrijfexamen op je spelling.
de spelregelB1
rule of the game
Leg de spelregels eerst uit.
de spiegelA1
mirror
Er hangt een spiegel in de gang.
de spierA1
muscle
Na het sporten doen mijn spieren pijn.
de spierkrachtB2
muscle strength
Met krachttraining behoud je spierkracht.
de spierscheuringB2
muscle tear
Met een spierscheuring lig je maanden stil.
het spierweefselB2
muscle tissue
Bij te weinig eiwit verlies je spierweefsel.
de spijsverteringB2
digestion
Beweging helpt de spijsvertering.
de spijtB2
regret
Ik heb spijt van die opmerking.
de spinazieA1
spinach
Spinazie zit vol ijzer.

