Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

444 words · page 13 of 18

  • sparenA2

    spaarde · hebben gespaard

    to save (money)

    We sparen voor een nieuwe auto.

  • spelenA1

    speelde · hebben gespeeld

    to play

    De kinderen spelen in de tuin.


    to be set, to take place (of a story)

    Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.

  • sprekenA1irregular

    sprak · spraken · hebben gesproken

    to speak

    Spreekt u Nederlands?

  • springenA1irregular

    sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen

    to jump

    Hij sprong over de sloot.

  • staanA1irregular

    stond · stonden · hebben gestaan

    to stand

    De auto staat voor het huis.


    to say, to be written (in a text)

    In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

  • stappenA2

    stapte · hebben/zijn gestapt

    to step

    Hij stapte snel in de auto en reed weg.

  • startenA2

    startte · hebben/zijn gestart

    to start (up)

    Mijn auto wil vanochtend door de kou niet starten.

  • stekenB1irregular

    stak · staken · hebben gestoken

    to sting; to stick, to put

    Pas op, die bijen kunnen steken.

  • stelenA2irregular

    stal · stalen · hebben gestolen

    to steal

    Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.

  • stellenB1

    stelde · hebben gesteld

    to put; to ask (a question)

    Mag ik u een paar vragen stellen?

  • stemmenA2

    stemde · hebben gestemd

    to vote

    Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.

  • stervenB1irregular

    stierf · stierven · zijn gestorven

    to die

    Veel bomen sterven door de droge zomers.

  • steunenB1

    steunde · hebben gesteund

    to support

    Mijn familie steunt mij in alles wat ik doe.

  • stijgenB1irregular

    steeg · stegen · zijn gestegen

    to rise

    De prijzen van boodschappen stijgen elk jaar.

  • stofzuigenA2

    stofzuigde · hebben gestofzuigd

    to vacuum

    Ik stofzuig één keer per week.

  • stoppenA1

    stopte · hebben/zijn gestopt

    to stop

    Hij is gestopt met roken.

  • stromenB1

    stroomde · hebben/zijn gestroomd

    to flow, to stream

    Het water stroomt van de berg naar het dal.

  • studerenB1

    studeerde · hebben gestudeerd

    to study

    Ik studeer elke avond twee uur.

  • sturenA1

    stuurde · hebben gestuurd

    to send

    Ik stuur je vanavond een bericht.

  • tankenB1

    tankte · hebben getankt

    to refuel

    Ik moet nog even tanken.

  • tekenenA2

    tekende · hebben getekend

    to draw

    Mijn dochter tekent graag.

  • tellenA1

    telde · hebben geteld

    to count

    Kun je tot tien tellen in het Nederlands?


    to count, to be taken into account

    Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.

  • terugbellenB1separable

    belde terug · hebben teruggebeld

    to call back

    Kunt u mij vanmiddag terugbellen?

  • terugbetalenA2separable

    betaalde terug · hebben terugbetaald

    to pay back

    Ik betaal je volgende week terug.

  • terugkerenB1separable

    keerde terug · zijn teruggekeerd

    to return (formal)

    Na de vakantie keerde hij terug naar Nederland.