Vocabulary
4398 words · page 128 of 176
septemberA1
September
De school begint weer in september.
de serieA2
series
Ik kijk elke avond een aflevering van mijn favoriete serie.
de serveersterB2
waitress
De serveerster nam onze bestelling op.
de serverB2
server
De gegevens staan op een server in Nederland.
het servetA2
napkin
Er liggen servetten op tafel.
de serviceA2
service
De service in deze winkel is altijd erg goed.
de servicedeskB2
service desk
Meld de storing bij de servicedesk.
de servicekostenA2
service charges
De servicekosten komen boven op de huur.
het serviceniveauB2
service level
Het afgesproken serviceniveau wordt niet gehaald.
de sessieB1
session
Na vijf sessies bij de fysiotherapeut gaat het beter.
de sfeerB1
atmosphere, mood
Op het feest was een gezellige sfeer.
het shirtA1
shirt
Hij draagt een wit shirt.
de showA2
show
De show begint om acht uur in het theater.
het sieraadB2
piece of jewellery
Zij draagt bijna nooit sieraden naar haar werk.
de sigaretA2
cigarette
Hij rookt nog maar twee sigaretten per dag.
het signaalB1
signal
Hoofdpijn kan een signaal zijn van te weinig slaap.
het signaalwoordB2
signal word, connective cue
'Daarentegen' is een signaalwoord voor tegenstelling.
de simkaartB2
SIM card
De simkaart past niet in dit toestel.
de sinaasappelA1
orange (fruit)
Ik pers elke ochtend een sinaasappel.
sinterklaasB2
Saint Nicholas feast
Sinterklaas is vooral een kinderfeest.
de situatieA2
situation
Leg de situatie even uit.
de slaA1
lettuce
Er ligt sla in de koelkast.
de slaafB1
slave
Een slaaf had vroeger geen enkele vrijheid of rechten.
de slaapA1
sleep
Ik heb te weinig slaap gehad.
het slaapgebrekA2
lack of sleep
Door slaapgebrek kan ik me slecht concentreren.

