Vocabulary
4398 words · page 126 of 176
de schoolvakantieA2
school holiday
In de schoolvakantie zijn de lessen vrij.
de schoondochterA1
daughter-in-law
Onze schoondochter komt uit Spanje.
de schoonheidB1
beauty
Ik geniet van de schoonheid van het landschap.
het schoonmaakbedrijfB2
cleaning company
Het schoonmaakbedrijf werkt voor drie scholen.
het schoonmaakmiddelA2
cleaning product
Dit schoonmaakmiddel werkt goed op tegels.
de schoonmakerB2
cleaner
De schoonmaker komt na sluitingstijd.
de schoonmoederA1
mother-in-law
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
de schoonvaderA1
father-in-law
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
de schoonzoonA1
son-in-law
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
de schoonzusA1
sister-in-law
Mijn schoonzus komt uit Italië.
de schoorsteenA1
chimney
Uit de schoorsteen komt rook.
de schouderA1
shoulder
Mijn schouder doet pijn.
de schouwburgB2
municipal theatre
De schouwburg staat aan het plein.
het schriftA2
exercise book
Schrijf de nieuwe woorden in je schrift.
het schriftelijkB1
written
Het examen bestaat uit een schriftelijk deel.
de schrijfopdrachtB2
writing task
De schrijfopdracht vraagt om een formele brief.
de schrijfstijlB1
writing style
Zijn schrijfstijl is helder en kort.
de schrijftaalB1
written language
Schrijftaal is formeler dan spreektaal.
de schrijfvaardigheidB1
writing skill
Schrijfvaardigheid oefen je door veel te schrijven.
de schrijverA2
writer, author
Deze schrijver heeft al tien romans geschreven.
de schrikB2
fright, shock
Van de schrik liet zij het glas vallen.
de schroevendraaierB2
screwdriver
Ik zoek een kleinere schroevendraaier.
de schroomB2
reticence, diffidence
Zij sprak zonder schroom over haar fouten.
de schuldA2
debt
Hij heeft schulden bij de bank.
fault, blame
Het was mijn schuld dat we te laat waren.
de schuldeiserB1
creditor
De schuldeiser wil een betalingsregeling.

