Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

4334 words · page 118 of 174

  • de schaalB1

    scale; bowl

    Op een schaal van één tot tien geef ik het een acht.

  • het schaapB1

    sheep

    De schapen begrazen de dijk.

  • de schaarA1

    scissors

    Heb je een schaar voor me?

  • de schadeA2

    damage

    De storm heeft veel schade aan de daken veroorzaakt.

  • schadelijkB1

    harmful

    Roken is schadelijk voor je gezondheid.

  • de schaduwB1

    shade, shadow

    Ga even in de schaduw zitten.

  • schakelenB1

    schakelde · hebben geschakeld

    to switch; to change gear

    Bij een automaat hoef je niet zelf te schakelen.

  • het schandaalB1

    scandal

    Het schandaal kostte de minister zijn baan.

  • schandaligB1

    scandalous, outrageous

    Ik vind het schandalig hoe de huurbaas ons behandelt.

  • de schandeB1

    disgrace, shame

    Het is een schande dat de lift weer kapot is.

  • schattenB1

    schatte · hebben geschat

    to estimate

    Ik schat dat de reparatie tweehonderd euro kost.

  • schattigA2

    cute

    Wat een schattig klein hondje heeft de buurvrouw!

  • scheidenA1irregular

    scheidde · scheidden · zijn gescheiden

    to divorce

    Mijn ouders zijn gescheiden.

  • de scheidingB1

    divorce; separation

    Na de scheiding woonden de kinderen bij hun moeder.

  • schelenB1

    scheelde · hebben gescheeld

    to matter, to care; to differ

    Het kan me niet schelen wat ze zeggen.

  • het schemaB1

    schedule; diagram

    Volg het schema voor de medicijnen precies.

  • schendenB1irregular

    schond · schonden · hebben geschonden

    to violate, to breach

    Dit land schendt de rechten van de mens.

  • scheppenB1

    schepte · hebben geschept

    to scoop, to ladle; to create

    Schep de soep met een grote lepel in de borden.

  • het schermA2

    screen

    Het scherm van mijn laptop is kapot.

  • scherpA2

    sharp

    Pas op, dat mes is heel scherp.

  • schetsenB1

    schetste · hebben geschetst

    to sketch, to outline

    De docent schetste een duidelijk beeld van de situatie.

  • schietenB1irregular

    schoot · schoten · hebben geschoten

    to shoot

    De spits schoot de bal hard in het doel.

  • de schijfB1

    slice; disc

    Leg een schijf ananas op elk stukje vlees.

  • schijnenB1irregular

    scheen · schenen · hebben geschenen

    to shine; to seem

    De zon schijnt de hele dag.


    it seems, apparently

    Het schijnt dat de winkel morgen dicht is.

  • de schilderA2

    painter

    De schilder komt maandag de voordeur verven.