Vocabulary
1756 words · page 10 of 71
de burenA2
neighbours
Onze buren zijn erg vriendelijk.
de burgemeesterA2
mayor
De burgemeester opende de nieuwe brug.
de burgerA2
citizen
Elke burger heeft dezelfde rechten.
het burgerservicenummerA2
citizen service number (BSN)
U hebt uw burgerservicenummer nodig.
de busA2
bus
De bus stopt voor het station.
het bushokjeA2
bus shelter
We schuilden in het bushokje voor de regen.
de buspasA2
bus pass
Met een buspas reis je goedkoper.
de buurmanA1
neighbour (male)
De buurman helpt ons vaak.
de buurtA1
neighbourhood
Onze buurt is de laatste jaren veranderd.
de buurvrouwA1
neighbour (female)
De buurvrouw past op de kinderen.
het cadeauA1
present, gift
Voor zijn verjaardag kreeg hij een mooi cadeau.
het caféA2
café, pub
We spreken af in het café op de hoek.
de cameraA2
camera
In de winkel hangen overal camera's.
de cdA2
CD
Mijn vader luistert in de auto nog naar een cd.
het centrumA1
centre (of town)
Ik woon tien minuten van het centrum.
de champignonA1
mushroom
In de saus zitten champignons.
de chauffeurA2
driver
Vraag het even aan de chauffeur.
de chocoladeA1
chocolate
Zij houdt van donkere chocolade.
de cijferlijstA2
list of grades
Op de cijferlijst staan al je resultaten.
de citroenA1
lemon
Doe wat citroen in het water.
de clubA2
club
Ik ben sinds kort lid van een club voor hardlopers.
de codeA2
code
Vul de code in die je per sms hebt gekregen.
de collegaA2
colleague
Mijn collega helpt mij graag.
het collegeA2
lecture
Het college begint om negen uur.
de computerA1
computer
Mijn computer is heel langzaam.

