Vocabulary
444 words · page 10 of 18
openenA1
opende · hebben geopend
to open
De winkel opent om negen uur.
ophalenA2separable
haalde op · hebben opgehaald
to pick up
Ik haal je om zeven uur op.
oplettenA2separable
lette op · hebben opgelet
to pay attention
Let goed op bij het oversteken.
oplossenB1separable
loste op · hebben opgelost
to solve; to dissolve
Samen kunnen we dit probleem vast oplossen.
opnemenB1separableirregular
nam op · namen op · hebben opgenomen
to answer (the phone); to record
Ik bel hem al de hele dag, maar hij neemt niet op.
to withdraw (money)
Ik wil honderd euro van mijn rekening opnemen.
opruimenA2separable
ruimde op · hebben opgeruimd
to tidy up
Ruim je spullen even op.
opschrijvenA2separableirregular
schreef op · schreven op · hebben opgeschreven
to write down
Kun je je telefoonnummer even voor mij opschrijven?
opsturenA2separable
stuurde op · hebben opgestuurd
to send (by post)
Ik moet dit formulier vandaag nog naar de gemeente opsturen.
optillenA2separable
tilde op · hebben opgetild
to lift up, to pick up
Ik kan mijn zware koffer niet alleen optillen.
optredenA2separableirregular
trad op · traden op · hebben opgetreden
to perform (on stage)
De band treedt zaterdag op.
het optreden
performance
Het optreden van de band duurde twee uur.
opvallenA2separableirregular
viel op · vielen op · zijn opgevallen
to stand out, to strike one
Het valt me op dat je beter spreekt.
opwarmenA2separable
warmde op · hebben opgewarmd
to heat up
Warm het eten even op in de magnetron.
opzeggenA2separableirregular
zei op · zeiden op · hebben opgezegd
to terminate, to cancel
Ik wil mijn contract opzeggen.
opzoekenA2separableirregular
zocht op · zochten op · hebben opgezocht
to look up (in a source)
Zoek het woord even op.
to go and see, to visit (someone)
Ik ga dit weekend mijn oma opzoeken.
organiserenA2
organiseerde · hebben georganiseerd
to organise
Wij organiseren zaterdag een feest voor de buren.
overboekenB1separable
boekte over · hebben overgeboekt
to transfer (money)
Ik heb het bedrag gisteren overgeboekt.
overleggenB1
overlegde · hebben overlegd
to consult, to confer
Ik moet eerst met mijn collega overleggen.
overlevenB1
overleefde · hebben overleefd
to survive
Alle passagiers hebben het ongeluk overleefd.
overlijdenB1irregular
overleed · overleden · zijn overleden
to pass away, to die
Zijn vader is vorig jaar in het ziekenhuis overleden.
overnemenB1separableirregular
nam over · namen over · hebben overgenomen
to take over
Kun jij mijn dienst morgen overnemen?
overstappenA2separable
stapte over · zijn overgestapt
to change (trains)
In Utrecht moet je overstappen.
to switch (to another provider)
Veel mensen stappen over naar een goedkopere zorgverzekering.
overstekenB1separableirregular
stak over · staken over · zijn overgestoken
to cross (a road)
Steek hier voorzichtig over.
overtuigenA2
overtuigde · hebben overtuigd
to convince
Hij wist iedereen te overtuigen.
pakkenA1
pakte · hebben gepakt
to take, to grab
Pak even een glas voor me.
parkerenA2
parkeerde · hebben geparkeerd
to park
Hier mag je niet parkeren.

