Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

21 words · page 1 of 1

  • waaienA2

    waaide · hebben gewaaid

    to blow (of wind)

    Het waait vandaag zo hard dat ik niet ga fietsen.

  • waarderenB2

    waardeerde · hebben gewaardeerd

    to appreciate

    Ik waardeer je eerlijkheid.

  • waarschuwenB1

    waarschuwde · hebben gewaarschuwd

    to warn

    Ik had je nog gewaarschuwd.

  • wachtenA2

    wachtte · hebben gewacht

    to wait

    Ik wacht al een half uur.

  • wandelenA1

    wandelde · hebben/zijn gewandeld

    to walk, to stroll

    We gaan zondag wandelen.

  • wassenA2irregular

    waste · wasten · hebben gewassen

    to wash

    Ik moet nog kleren wassen.

  • weerleggenB2

    weerlegde · hebben weerlegd

    to refute

    Dat argument is makkelijk te weerleggen.

  • weersprekenB2irregular

    weersprak · weerspraken · hebben weersproken

    to refute, to contradict

    De feiten weerspreken zijn verhaal.

  • weggaanA2separableirregular

    ging weg · gingen weg · zijn weggegaan

    to leave

    Wanneer ga je weg?

  • weggooienA2separable

    gooide weg · hebben weggegooid

    to throw away

    Gooi het oude papier weg.

  • weigerenB1

    weigerde · hebben geweigerd

    to refuse

    Hij weigerde het voorstel.

  • wennenA2

    wende · zijn gewend

    to get used (to)

    Ik moet nog wennen aan het Nederlandse weer.

  • wensenA2

    wenste · hebben gewenst

    to wish

    Wij wensen u veel beterschap.

  • werkenA1

    werkte · hebben gewerkt

    to work

    Zij werkt in een ziekenhuis.


    to work, to function (of a device)

    De lift werkt vandaag niet.

  • wetenA1irregular

    wist · wisten · hebben geweten

    to know (a fact)

    Ik weet het niet.

  • wijzenB1irregular

    wees · wezen · hebben gewezen

    to point

    Zij wees naar het huis aan de overkant.

  • willenA1irregular

    wilde · wilden · hebben gewild

    to want

    Ik wil graag koffie.

  • winnenA2irregular

    won · wonnen · hebben gewonnen

    to win

    Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?

  • wisselenA2

    wisselde · hebben gewisseld

    to change (money)

    Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?


    to alternate, to keep changing

    Het weer wisselt hier van uur tot uur.

  • wonenA1

    woonde · hebben gewoond

    to live, to reside

    Wij wonen in Utrecht.

  • wordenA1irregular

    werd · werden · zijn geworden

    to become

    Hij wil dokter worden.


    (passive auxiliary: is/are being)

    De brief wordt morgen verstuurd.