Vocabulary
16 words · page 1 of 1
vallenA1irregular
viel · vielen · zijn gevallen
to fall
Pas op, je valt bijna.
to fall on (a date)
Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.
verbiedenA2irregular
verbood · verboden · hebben verboden
to forbid
Roken is in het gebouw verboden.
vergelijkenA2irregular
vergeleek · vergeleken · hebben vergeleken
to compare
Vergelijk beide teksten met elkaar.
vergetenA1irregular
vergat · vergaten · hebben vergeten
to forget
Ik ben mijn telefoon vergeten.
verkopenA1irregular
verkocht · verkochten · hebben verkocht
to sell
Ze verkopen hier verse groente.
verliezenA2irregular
verloor · verloren · hebben/zijn verloren
to lose
Ons team heeft de wedstrijd met twee tegen één verloren.
vermijdenA2irregular
vermeed · vermeden · hebben vermeden
to avoid
Probeer de spits te vermijden.
zich verslapenA2reflexiveirregular
versliep · versliepen · hebben verslapen
to oversleep
Ik heb me verslapen en kwam te laat.
vertrekkenA2irregular
vertrok · vertrokken · zijn vertrokken
to depart
De trein vertrekt over vijf minuten.
verwijzenA2irregular
verwees · verwezen · hebben verwezen
to refer
De auteur verwijst naar eerder onderzoek.
vindenA1irregular
vond · vonden · hebben gevonden
to find; to think (of)
Ik kan het niet vinden.
vliegenA2irregular
vloog · vlogen · hebben/zijn gevlogen
to fly
We vliegen volgende week naar Marokko.
voorkomenA1separableirregular
kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen
to occur, to happen
Dat probleem komt hier vaak voor.
voorkómenA2irregular
voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen
to prevent
Met een goede planning voorkom je veel stress.
voorlezenA2separableirregular
las voor · lazen voor · hebben voorgelezen
to read aloud
Wil je mij de brief van de school even voorlezen?
vragenA1irregular
vroeg · vroegen · hebben gevraagd
to ask
Mag ik iets vragen?
to ask for, to request
Hij vraagt zijn buurman om hulp.

