Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

277 words · page 10 of 12

  • de voorbereidingB1

    preparation

    Een goede voorbereiding is de helft van het werk.

  • voorbijA2

    over, past

    De zomer is weer veel te snel voorbij.

  • voordatB1

    before (conjunction)

    Was je handen voordat je gaat eten.

  • het voordeelB1

    advantage, benefit

    Een voordeel van dit huis is de grote tuin.

  • de voordeurA1

    front door

    De voordeur zit op slot.

  • het voorgerechtA2

    starter

    Als voorgerecht nemen we soep.

  • voorkomenA1separableirregular

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    to occur, to happen

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • voorkómenA2irregular

    voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen

    to prevent

    Met een goede planning voorkom je veel stress.

  • voorlezenA2separableirregular

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    to read aloud

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • de voorlichtingB1

    information, awareness-raising

    De gemeente geeft voorlichting over afvalscheiding.

  • voorlopigB1

    provisional; for the time being

    Voorlopig blijf ik bij mijn ouders wonen.

  • de voorraadA2

    stock

    We hebben het niet meer op voorraad.

  • de voorraadkastA2

    pantry

    Het meel staat in de voorraadkast.

  • de voorrangB1

    right of way

    Fietsers hebben hier voorrang.

  • het voorstelB1

    proposal, suggestion

    Ik heb een voorstel voor ons volgende uitje.

  • voorstellenB1separable

    stelde voor · hebben voorgesteld

    to propose, to suggest

    Mag ik een andere datum voorstellen?


    to introduce; to imagine (zich voorstellen)

    Mag ik me even voorstellen? Ik ben Sara.

  • voortaanA2

    from now on

    Voortaan doen we het anders.

  • de voortgangB1

    progress

    Je kunt je voortgang online volgen.

  • vooruitA2

    forward, ahead

    Met je Nederlands ga je echt vooruit, goed zo!

  • de voorwaardeA2

    condition, term

    Lees eerst de voorwaarden.

  • de voorzieningB1

    facility, provision

    In de wijk zijn goede voorzieningen.

  • de voorzitterB1

    chair(person)

    De voorzitter opent de vergadering om acht uur.

  • vorigA1

    previous, last

    Vorig jaar woonde ik nog in Polen.

  • de vorkA1

    fork

    Er ligt geen vork op tafel.

  • de vormB1

    form, shape

    Deze tafel heeft een ronde vorm.