Vocabulary
158 words · page 6 of 7
trainenB1
trainde · hebben getraind
to train
Wij trainen twee keer per week.
de trainerA2
coach, trainer
De trainer van het voetbalteam is heel streng.
de trainingA2
training (session)
Op woensdag heb ik training bij de hockeyclub.
trakterenA2
trakteerde · hebben getrakteerd
to treat (someone)
Op je verjaardag trakteer je op gebak.
de tramA2
tram
Neem tram 4 naar het centrum.
de trapA1
stairs
De trap is erg steil.
de treinA2
train
De trein naar Amsterdam vertrekt zo.
het treinkaartjeA2
train ticket
Koop je treinkaartje van tevoren.
de treinreisA2
train journey
De treinreis duurt anderhalf uur.
de treinstoringA2
train disruption
Door een treinstoring reden er geen treinen.
de treinvertragingB1
train delay
Door treinvertraging kwam ik te laat op het werk.
trekkenB1irregular
trok · trokken · hebben/zijn getrokken
to pull; to move (travel)
Je moet de deur trekken, niet duwen.
trotsA1
proud; pride
Ze is trots op wat ze bereikt heeft.
trouwenA1
trouwde · zijn getrouwd
to marry
Zij gaan in juni trouwen.
trouwensA2
by the way
Trouwens, heb je die brief al gelezen?
de tuinA1
garden
We hebben een kleine tuin achter het huis.
het tuinafvalB1
garden waste
Tuinafval gaat in de groene bak.
tuinierenB1
tuinierde · hebben getuinierd
to garden
In het voorjaar ga ik graag tuinieren.
het tuinonderhoudA2
garden maintenance
Het tuinonderhoud doen we zelf.
het tuinpadA1
garden path
Het tuinpad ligt vol bladeren.
de tuinstoelA1
garden chair
De tuinstoelen staan in de schuur.
de tunnelA2
tunnel
Door de tunnel ben je er sneller.
tussenA1
between
De winkel zit tussen de bank en het café.
de tvA1
TV
We kijken vanavond samen een film op tv.
twaalfA1
twelve
We eten om twaalf uur.

