Vocabulary
10 words · page 1 of 1
scheidenA1irregular
scheidde · scheidden · zijn gescheiden
to divorce
Mijn ouders zijn gescheiden.
schrijvenA1irregular
schreef · schreven · hebben geschreven
to write
Schrijf je naam op het formulier.
slapenA1irregular
sliep · sliepen · hebben geslapen
to sleep
Ik heb slecht geslapen.
sluitenA1irregular
sloot · sloten · hebben gesloten
to close
De deur sluit automatisch.
spelenA1
speelde · hebben gespeeld
to play
De kinderen spelen in de tuin.
to be set, to take place (of a story)
Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.
sprekenA1irregular
sprak · spraken · hebben gesproken
to speak
Spreekt u Nederlands?
springenA1irregular
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
to jump
Hij sprong over de sloot.
staanA1irregular
stond · stonden · hebben gestaan
to stand
De auto staat voor het huis.
to say, to be written (in a text)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
stoppenA1
stopte · hebben/zijn gestopt
to stop
Hij is gestopt met roken.
sturenA1
stuurde · hebben gestuurd
to send
Ik stuur je vanavond een bericht.

