Vocabulary
93 words · page 1 of 4
het paarA1
a few, pair
Ik blijf nog een paar dagen.
het paardA2
horse
Het paard graast in de wei.
paarsA1
purple
De bloemen in de tuin zijn paars.
het padA2
path
Volg het smalle pad door het bos.
de paginaA2
page (also web page)
Open je boek op pagina vijftig.
het pakA2
suit; pack, carton
Hij draagt een donker pak naar de bruiloft.
het pakjeA1
parcel, packet
Er ligt een pakje voor je bij de buren.
pakkenA1
pakte · hebben gepakt
to take, to grab
Pak even een glas voor me.
de panA2
pan, pot
Doe de groente in de pan.
de papaA1
dad
Papa brengt ons morgen met de auto naar school.
het papierA1
paper
Schrijf het op een blaadje papier.
de paprikaA1
bell pepper
Snijd de paprika in reepjes.
de parapluA1
umbrella
Neem een paraplu mee, het gaat regenen.
pardonA1
excuse me
Pardon, mag ik er even langs?
het parkA1
park
We wandelen graag in het park.
parkerenA2
parkeerde · hebben geparkeerd
to park
Hier mag je niet parkeren.
het parlementA2
parliament
Het parlement stemde over het wetsvoorstel.
de participatieverklaringA2
participation declaration
De participatieverklaring hoort bij de inburgering.
de partnerA1
partner
Mijn partner werkt in het onderwijs.
pasA2
only (not until); just
De winkel gaat pas om tien uur open.
de pas
card (bank card), pass
Betaal je met je pas of contant?
passenA2
paste · hebben gepast
to try on; to fit
Mag ik deze broek even passen?
de pastaA1
pasta
Vanavond maak ik pasta.
de patatA1
chips, fries
Op vrijdag eten we patat.
de pauzeA2
break
We hebben om twaalf uur pauze.
de pechA2
breakdown; bad luck
Ik had pech met de auto onderweg.

