Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

50 words · page 1 of 2

  • naA1

    after

    Na het eten gaan we wandelen.

  • de naamA1

    name

    Wat is jouw naam?

  • naarA1

    to (a place)

    Ik ga naar mijn werk.

  • naartoeA2

    to (a place), where to

    Waar ga je in de zomervakantie naartoe?

  • naastA1

    next to

    Hij zit naast mij.

  • de nachtA1

    night

    Ik heb de hele nacht slecht geslapen.

  • de nachtdienstA2

    night shift

    Deze week heb ik nachtdienst.

  • nadenkenA2separableirregular

    dacht na · dachten na · hebben nagedacht

    to think over

    Ik moet er nog even over nadenken.

  • de nagelA1

    nail

    Mijn nagels zijn te lang.

  • het nagerechtA2

    dessert

    Als nagerecht is er ijs.

  • nakijkenA2separableirregular

    keek na · keken na · hebben nagekeken

    to mark, to correct (work)

    De docent moet vanavond nog veertig toetsen nakijken.

  • namelijkA2

    namely, you see

    Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.

  • natA1

    wet

    Mijn jas is helemaal nat.

  • de naturalisatieA2

    naturalisation

    Na naturalisatie krijg je het Nederlandse paspoort.

  • de natuurA2

    nature

    Op zondag wandelen we graag in de natuur.

  • natuurlijkA1

    natural; of course

    Dit is een natuurlijk product.

  • het NederlandsA1

    Dutch (language)

    Ik leer al twee jaar Nederlands op een taalschool.

  • neeA1

    no

    Nee, dank je, ik hoef geen koffie meer.

  • de neefA1

    cousin (male), nephew

    Mijn neef is even oud als ik.

  • negenA1

    nine

    Mijn zoon is negen jaar.

  • negentigA1

    ninety

    Hij werd negentig jaar oud.

  • de nekA1

    neck

    Ik heb een stijve nek.

  • nemenA1irregular

    nam · namen · hebben genomen

    to take

    Ik neem de trein van acht uur.

  • nergensA2

    nowhere

    Ik kan het nergens vinden.

  • netA1

    just (a moment ago)

    Hij is net weggegaan.