Vocabulary
38 words · page 1 of 2
laagA1
low
De prijs is nu laag.
de laag
layer
Er ligt een dikke laag sneeuw op straat.
laatA1
late
Sorry dat ik te laat ben.
laatsteA1
last
Dit is de laatste bus.
lachenA1irregular
lachte · lachten · hebben gelachen
to laugh
We hebben veel gelachen.
het lakenA1
sheet
De lakens moeten in de was.
de lampA1
lamp
De lamp in de gang is kapot.
het landA1
country
Uit welk land kom je?
langA1
long
Het duurt niet lang.
langzaamA1
slow
Kunt u wat langzamer praten?
de laptopA1
laptop
Thuis werk ik het liefst op mijn laptop.
latenA1irregular
liet · lieten · hebben gelaten
to let, to have (something done)
Ik laat mijn fiets repareren.
laterA1
later
We bellen later wel even.
de leeftijdA1
age
Wat is de leeftijd van je kinderen?
leegA1
empty
Mijn glas is leeg.
het legerA1
army
Het leger hielp bij de evacuatie.
leggenA1
legde · hebben gelegd
to lay, to put down
Leg het boek op tafel.
lekkerA1
tasty, nice
Deze soep is heel lekker.
lelijkA1
ugly
Dat gebouw vind ik lelijk.
de lenteA1
spring
In de lente bloeien de tulpen.
de lepelA1
spoon
Ik eet soep met een lepel.
lerenA1
leerde · hebben geleerd
to learn; to teach
Ik leer nu een jaar Nederlands.
de lesA1
lesson, class
De les Nederlands begint om negen uur.
de letterA1
letter (character)
Schrijf je naam met grote letters.
leukA1
nice, fun
Dat was een leuke avond.
levenA1
leefde · hebben geleefd
to live, to be alive
Mijn opa leeft nog en is al negentig jaar.
het leven
life
Het leven hier is heel anders.

