Vocabulary
10 words · page 1 of 1
lachenA1irregular
lachte · lachten · hebben gelachen
to laugh
We hebben veel gelachen.
langskomenA2separableirregular
kwam langs · kwamen langs · zijn langsgekomen
to drop by
Kom je vanavond even langs?
latenA1irregular
liet · lieten · hebben gelaten
to let, to have (something done)
Ik laat mijn fiets repareren.
lezenA1irregular
las · lazen · hebben gelezen
to read
Lees de tekst nog een keer.
liefhebbenB2separableirregular
had lief · hadden lief · hebben liefgehad
to love (deeply)
Zij had haar vak oprecht lief.
liegenA2irregular
loog · logen · hebben gelogen
to lie (tell lies)
Hij zei dat hij ziek was, maar hij loog.
liggenA1irregular
lag · lagen · hebben gelegen
to lie, to be located
Het boek ligt op tafel.
lijdenB2irregular
leed · leden · hebben geleden
to suffer
Veel mensen lijden aan stress door hun werk.
lijkenA1irregular
leek · leken · hebben geleken
to seem
Het lijkt me een goed idee.
lopenA1irregular
liep · liepen · hebben/zijn gelopen
to walk
Ik loop elke dag naar mijn werk.
to run, to last (of a period)
De cursus loopt van september tot juni.

