Vocabulary
13 words · page 1 of 1
kennenA1
kende · hebben gekend
to know (a person/thing)
Ken je die man?
kiezenA1irregular
koos · kozen · hebben gekozen
to choose
Je moet zelf kiezen.
kijkenA1irregular
keek · keken · hebben gekeken
to look, to watch
We kijken vanavond naar een film.
klaarmakenA2separable
maakte klaar · hebben klaargemaakt
to prepare, to get ready
Ik maak het eten klaar.
klikkenA2
klikte · hebben geklikt
to click
Klik op de blauwe knop om verder te gaan.
kloppenA2
klopte · hebben geklopt
to be correct; to knock
Klopt dit adres?
knippenA2
knipte · hebben geknipt
to cut (with scissors)
Ik laat morgen mijn haar knippen bij de kapper.
kokenA2
kookte · hebben gekookt
to cook
Wie kookt er vanavond?
to boil
Wacht tot het water kookt en doe dan de pasta erin.
komenA1irregular
kwam · kwamen · zijn gekomen
to come
Kom je vanavond ook?
kopenA1irregular
kocht · kochten · hebben gekocht
to buy
Ik koop brood bij de bakker.
kostenA2
kostte · hebben gekost
to cost
De cursus kost honderd euro per maand.
de kosten
costs
De kosten vallen mee.
krijgenA1irregular
kreeg · kregen · hebben gekregen
to get, to receive
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1irregular
kon · konden · hebben gekund
can, to be able to
Kun je mij helpen?

