Vocabulary
48 words · page 2 of 2
de kleindochterA1
granddaughter
Zijn kleindochter gaat al naar school.
het kleinkindA1
grandchild
Zij heeft drie kleinkinderen.
de kleinzoonA1
grandson
Haar kleinzoon is net geboren.
de klerenA1
clothes
Ik koop nieuwe kleren.
de kleurA1
colour
Welke kleur vind je mooi?
de klokA1
clock
De klok in de keuken loopt voor.
bell
De klok van de kerk luidt elke zondagochtend.
de knieA1
knee
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
de koekA1
biscuit, cake
Bij de koffie krijg je een koekje.
de koelkastA1
fridge
De melk staat in de koelkast.
de koffieA1
coffee
Zullen we een kopje koffie drinken?
komenA1irregular
kwam · kwamen · zijn gekomen
to come
Kom je vanavond ook?
de komkommerA1
cucumber
Snijd de komkommer in plakjes.
de koningA1
king
De koning opende het parlementaire jaar.
de koolA1
cabbage
In de winter eten we vaak kool.
coal
Vroeger stookten ze de kachel op kool.
kopenA1irregular
kocht · kochten · hebben gekocht
to buy
Ik koop brood bij de bakker.
het kopjeA1
cup
Wil je een kopje thee?
kortA1
short
Het was maar een korte pauze.
koudA1
cold
Het eten is koud geworden.
de krantA1
newspaper
Mijn vader leest elke dag de krant.
krijgenA1irregular
kreeg · kregen · hebben gekregen
to get, to receive
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1irregular
kon · konden · hebben gekund
can, to be able to
Kun je mij helpen?
het kussenA1
pillow, cushion
Dit kussen is te hard.
het kwartierA1
quarter of an hour
Het duurt nog een kwartier.

