Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

114 words · page 1 of 5

  • het haarA1

    hair

    Zij heeft lang haar.


    her

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • de haastA2

    hurry, haste

    Ik heb haast, want mijn bus vertrekt zo.

  • zich haastenB1reflexive

    haastte · hebben gehaast

    to hurry

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.

  • haastigB1

    hasty, hurried

    Hij at haastig zijn brood en rende naar buiten.

  • de hagelslagA1

    chocolate sprinkles

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • halenA1

    haalde · hebben gehaald

    to fetch, to get

    Ik haal even brood.

  • halfA1

    half

    Het is half acht.

  • halloA1

    hello

    Hallo, hoe gaat het?

  • de halteA2

    stop (bus/tram)

    De halte is om de hoek.

  • de hamA1

    ham

    Ik neem een boterham met ham.

  • de handA1

    hand

    Was je handen voor het eten.

  • de handdoekA1

    towel

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • de handelB1

    trade, commerce

    De haven van Rotterdam is belangrijk voor de handel.

  • handigA1

    handy, practical

    Dat is een handige app.

  • de handtekeningA2

    signature

    Zet hier onderaan het formulier uw handtekening.

  • hangenA2irregular

    hing · hingen · hebben gehangen

    to hang

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hardA1

    hard; loud

    Het bed is te hard.

  • hardlopenB1separableirregular

    liep hard · liepen hard · hebben hardgelopen

    to run, jogging

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • het hartA1

    heart

    Mijn hart klopt snel.

  • de hartslagA1

    heartbeat

    Mijn hartslag gaat snel na het sporten.

  • hatenA1

    haatte · hebben gehaat

    to hate

    Hij haat vergaderingen.

  • de havenA2

    port, harbour

    De boot ligt in de haven van Den Helder.

  • hebbenA1irregular

    had · hadden · hebben gehad

    to have

    Wij hebben twee kinderen.


    (perfect auxiliary: have/has)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.

  • heelA1

    very; whole

    Het is heel warm vandaag.

  • heenA2

    there, away (heen en terug)

    Ik heb een kaartje heen en terug gekocht.