Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

11 words · page 1 of 1

  • deelnemenB1separableirregular

    nam deel · namen deel · hebben deelgenomen

    to take part

    Iedereen kan aan de cursus deelnemen.

  • denkenA1irregular

    dacht · dachten · hebben gedacht

    to think

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1irregular

    deed · deden · hebben gedaan

    to do

    Wat doe je in het weekend?

  • doorgaanB1separableirregular

    ging door · gingen door · zijn doorgegaan

    to go ahead, to take place; to continue

    Door de regen kan de markt vandaag niet doorgaan.

  • doorgevenB1separableirregular

    gaf door · gaven door · hebben doorgegeven

    to pass on

    Kun je dat aan je collega doorgeven?


    to report, to pass on (information)

    Geef een adreswijziging door aan de gemeente.

  • doorverbindenB1separableirregular

    verbond door · verbonden door · hebben doorverbonden

    to put through (a call)

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • doorverwijzenB1separableirregular

    verwees door · verwezen door · hebben doorverwezen

    to refer on

    De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.

  • dragenA1irregular

    droeg · droegen · hebben gedragen

    to wear; to carry

    Hij draagt een zwarte jas.

  • drinkenA1irregular

    dronk · dronken · hebben gedronken

    to drink

    Wat wil je drinken?

  • duikenB1irregular

    dook · doken · hebben/zijn gedoken

    to dive

    De jongens duiken van de brug in het water.

  • dwingenB1irregular

    dwong · dwongen · hebben gedwongen

    to force

    Niemand kan je dwingen om te stoppen met je studie.