Vocabulary
55 words · page 1 of 3
het cadeauA1
present, gift
Voor zijn verjaardag kreeg hij een mooi cadeau.
het caféA2
café, pub
We spreken af in het café op de hoek.
de cameraA2
camera
In de winkel hangen overal camera's.
de carrièreB1
career (success)
Zij wil een carrière in de zorg opbouwen.
de categorieB1
category
In welke categorie valt dit product?
de cdA2
CD
Mijn vader luistert in de auto nog naar een cd.
centraalB1
central
Het hotel ligt centraal, vlak bij het station.
het centrumA1
centre (of town)
Ik woon tien minuten van het centrum.
het certificaatB1
certificate
Na de cursus krijg je een certificaat.
de champignonA1
mushroom
In de saus zitten champignons.
de chauffeurA2
driver
Vraag het even aan de chauffeur.
de chefB1
boss (at work)
Mijn chef vindt het goed dat ik eerder ga.
head chef
De chef van het restaurant maakt zelf de soep.
de chocoladeA1
chocolate
Zij houdt van donkere chocolade.
het cijferB1
grade, mark
Ik heb een goed cijfer gehaald.
de cijferlijstA2
list of grades
Op de cijferlijst staan al je resultaten.
de citroenA1
lemon
Doe wat citroen in het water.
de clubA2
club
Ik ben sinds kort lid van een club voor hardlopers.
de clubavondB1
club night
De clubavond is elke woensdag.
het clublidB1
club member
Als clublid betaal je minder contributie.
de coachB1
coach
Een coach helpt mij bij het zoeken naar werk.
de codeA2
code
Vul de code in die je per sms hebt gekregen.
de collectieB1
collection
Het museum heeft een grote collectie schilderijen.
de collegaA2
colleague
Mijn collega helpt mij graag.
het collegeA2
lecture
Het college begint om negen uur.
de collegialiteitB1
collegiality
Collegialiteit is hier belangrijker dan concurrentie.

