Vocabulary
253 words · page 1 of 11
de baanA2
job
Zij heeft een nieuwe baan gevonden.
lane; track
Op de snelweg is de rechter baan afgesloten.
de baardA2
beard
Mijn broer heeft sinds de zomer een baard.
de baasA2
boss
Mijn baas is vandaag afwezig.
de babyA1
baby
De baby slaapt nu.
de badkamerA1
bathroom
De badkamer is boven.
de badkuipA2
bathtub
In deze badkamer staat geen badkuip.
de bagageA2
luggage
Laat je bagage niet alleen achter.
bakkenA2irregular
bakte · bakten · hebben gebakken
to fry, to bake
Ik bak een ei voor het ontbijt.
de bakkerA2
baker, bakery
Ik haal brood bij de bakker.
de balA1
ball
De kinderen spelen met een bal in de tuin.
de balieA2
desk, counter (reception)
U kunt uw pakket ophalen bij de balie.
het balkonA2
balcony
Op het balkon staan planten.
de banaanA1
banana
Wil je een banaan?
de bandA2
tyre
Mijn band is lek.
bangA2
afraid
Ik ben bang voor honden.
de bankA2
bank
Ik heb een rekening bij deze bank.
sofa; bench
We zitten 's avonds samen op de bank te lezen.
het bankafschriftB1
bank statement
Op het bankafschrift zie je alle betalingen.
de bankkostenB1
bank charges
De bankkosten zijn dit jaar verhoogd.
de bankrekeningA2
bank account
Je hebt een bankrekening nodig voor je salaris.
de barB1
bar
We drinken na het werk iets aan de bar.
de basisB1
basis, foundation
Een goede basis in taal helpt bij elke opleiding.
de basisschoolA2
primary school
Mijn dochter zit in groep vijf van de basisschool.
het basketbalA2
basketball
Op dinsdag speel ik basketbal met mijn vrienden.
de batterijA1
battery
De batterij is leeg.
beantwoordenB1
beantwoordde · hebben beantwoord
to answer (a question, letter)
Beantwoord de vragen in hele zinnen.

